ECLI:NL:RBDHA:2024:17465
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen dubbele griffierechten bij afsplitsing verzoek in ontbinding geregistreerd partnerschap
Verzoeker diende op 26 september 2024 een verweerschrift in met zelfstandige verzoeken op grond van artikel 1:253a BW, welke verzoeken door de rechtbank werden afgesplitst en geregistreerd onder een nieuw kenmerk. Hiervoor werd op 28 september 2024 een griffierecht van €320,- in rekening gebracht, dat nog niet was voldaan. Verzoeker trok het zelfstandig verzoek op 1 oktober 2024 in en verzocht om creditering van het griffierecht.
De rechtbank overwoog dat de afsplitsing van de zelfstandige verzoeken terecht was, omdat de procedures (ontbinding geregistreerd partnerschap en verzoek inzake ouderlijk gezag) gewoonlijk gescheiden worden behandeld en het procesreglement Overige Boek 1-zaken niet van toepassing is. Er is geen verplichting tot voorafgaand overleg met de advocaat van verzoeker bij afsplitsing.
Wel achtte de rechtbank het terecht dat griffierecht werd geheven vanaf de datum van indiening van het verweerschrift, maar stelde vast dat verzoeker op basis van gefinancierde rechtsbijstand procedeert. Daarom werd het griffierecht verlaagd naar het lagere tarief voor onvermogenden conform artikel 16 Wgbz Pro. Het verzet werd gegrond verklaard voor zover het betrekking had op het te hoge griffierecht en ongegrond voor het overige.
Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard voor het te hoge griffierecht en dit wordt verlaagd naar het tarief voor onvermogenden.