ECLI:NL:RBDHA:2024:17542
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing aanvraag geslachtsnaamwijziging minderjarige ondanks bezwaar vader
De moeder vroeg om wijziging van de achternaam van hun minderjarige dochter naar haar eigen geslachtsnaam, waartegen de vader bezwaar maakte. De Basisregistratie Personen (BRP) toonde aan dat vader, moeder en dochter nooit samenwoonden, en vader kon dit niet aannemelijk maken met de aangeleverde documenten.
De rechtbank oordeelde dat de aanvraag terecht werd toegewezen omdat de vader niet voldeed aan de eis dat hij minder dan een vierde van de verzorgingstermijn in gezinsverband met de dochter had samengewoond. Hoewel de vader stelde dat hij wel samenwoonde met moeder en dochter, waren de aangeleverde documenten onvoldoende bewijs en tegenstrijdig.
Verder stelde de vader dat de hoorplicht en zorgvuldigheidsbeginsel waren geschonden omdat hij niet tijdig werd geïnformeerd over verklaringen van de moeder en documenten niet werden gedeeld. De rechtbank erkende deze schendingen, maar passeerde deze omdat de vader niet benadeeld was, gezien zijn kennis van de stukken en mogelijkheid tot reactie tijdens het beroep.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde de geslachtsnaamwijziging en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht van de vader.
Uitkomst: Het beroep van de vader is ongegrond verklaard en de geslachtsnaamwijziging van de dochter naar de naam van de moeder is bevestigd.