Opposanten dienden op 15 maart 2024 beroep in wegens het niet tijdig beslissen op hun asielaanvragen van 25 november 2022. De minister heeft de aanvragen op 16 april 2024 ingewilligd, waarna opposanten het beroep introkken en proceskostenvergoeding vorderden. De rechtbank kende op 27 juni 2024 proceskosten toe, maar opposanten stelden verzet in tegen deze uitspraak.
De rechtbank beoordeelde in het verzet uitsluitend of het eerdere oordeel buiten redelijke twijfel stond. Opposanten betwistten de samenhang van de zaken en daarmee de hoogte van de proceskostenvergoeding. De rechtbank constateerde een administratieve fout en dat het eindoordeel niet buiten redelijke twijfel stond, waardoor het verzet gegrond werd verklaard.
De rechtbank oordeelde dat er wel sprake was van samenhang tussen de zaken, omdat de asielaanvragen gelijktijdig werden ingediend, opposanten familie zijn, dezelfde gemachtigde hadden en identieke werkzaamheden werden verricht. De minister werd veroordeeld tot betaling van €1.312,50 aan proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.