ECLI:NL:RBDHA:2024:1793

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 februari 2024
Publicatiedatum
15 februari 2024
Zaaknummer
NL23.37831
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening wegens verantwoordelijkheid België

Eiseres, een Nigeriaanse vrouw met twee minderjarige kinderen, diende een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van de Dublinverordening, omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling van haar aanvraag. Eiseres voerde aan dat België kampt met opvangtekorten en dat haar gezin vanwege kwetsbaarheid niet zonder opvang kan worden overgedragen.

De rechtbank oordeelde dat België een claimakkoord heeft gesloten en zich verplicht tot beoordeling van de aanvraag binnen de geldende verdragsverplichtingen, inclusief het verbod op refoulement. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, en eiseres kon niet aannemelijk maken dat België haar verplichtingen niet nakomt. Hoewel de opvang onder druk staat, is er voor kwetsbare groepen, waaronder gezinnen met minderjarige kinderen, voorrang en gegarandeerde opvang.

De rechtbank verwierp de stelling dat de Dublinverordening integraal niet meer geldig zou zijn en dat de staatssecretaris de aanvraag aan zich had moeten trekken. De door eiseres aangehaalde jurisprudentie betrof andere categorieën asielzoekers en was niet van toepassing. Het beroep werd ongegrond verklaard, waarmee het besluit van de staatssecretaris in stand bleef.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.37831

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [nummer] , eiseres

mede namens haar minderjarige kinderen
(gemachtigde: mr. M.R. van der Pol),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

(gemachtigde: mr. S. Azzaoui).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 1 december 2023 niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 1 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, alsmede de gemachtigde van de staatssecretaris. Tevens was een tolk aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. Eiseres, moeder van twee minderjarige zonen, is afkomstig uit Nigeria. Zij is illegaal in 2017 het grondgebied van de Europese Unie ingereisd (via Italië).
5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij België een verzoek om terugname gedaan. België heeft dit verzoek aanvaard.
6. In het bestreden besluit heeft de staatssecretaris geconcludeerd dat België verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres.
Is overdracht in strijd met de internationale verplichtingen?
7. Eiseres voert aan dat België momenteel kampt met grote tekorten in de opvangvoorzieningen. Uit de brief van de Belgische autoriteiten d.d. 28 september 2023 blijkt dat de autoriteiten niet garanderen dat vreemdelingen die op basis van de Dublinverordening worden overgedragen onmiddellijk toegang krijgen tot het (nood)opvangnetwerk. Daarbij komt dat er in het geval van eiseres sprake is van een herhaalde aanvraag. Voor zover bekend krijgen asielzoekers, die een opvolgende aanvraag doen, geen opvang in België. Eiseres verwijst daartoe naar twee uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond van 12 oktober 2023 NL23.19257 [2] en zittingsplaats Den Bosch van 1 november 2023, NL23.19257. [3] Volgens eiseres moeten de Belgische autoriteiten eerst bevestigen dat er opvang is voor eiseres alvorens zij met de kinderen kan worden overgedragen. Daarenboven is er sprake van een failliet asielsysteem, zodat geconcludeerd moet worden dat de Dublinverordening integraal niet meer geldig is.
8. De rechtbank overweegt allereerst dat er in het geval van eiseres sprake is van een claimakkoord van de Belgische autoriteiten dat inhoudt dat België, als lidstaat, zich verplicht om het verzoek om internationale bescherming van eiseres te gaan beoordelen in overeenstemming met de geldende verdragsverplichtingen inclusief het verbod op refoulement. Er is (in zoverre) geen sprake is van een failliet asielsysteem.
9. De rechtbank overweegt dat ten aanzien van België in zijn algemeenheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. [4] Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat dit in haar geval anders is.
10. In het bestreden besluit heeft de staatssecretaris geconcludeerd dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit kan worden gegaan dat België de internationale verplichtingen nakomt. Uit diverse bronnen kan worden afgeleid dat de Belgische opvang onder grote druk staat. De Belgische autoriteiten hebben dit bij brief van 9 maart, verzonden op 10 maart 2023, ook bevestigd. De Belgische autoriteiten hebben vervolgens per brief van 28 maart 2023, een nadere verduidelijking gegeven. In de brief van 26 september 2023 wordt de informatie in de brieven van 9 maart en 28 maart 2023 bevestigd. Uit de openbare bronnen, alsmede de informatie van de Belgische autoriteiten, kan echter niet worden geconcludeerd dat de tekortkomingen in de opvang in België de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid als bedoeld in het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 [5] bereiken. Zo blijkt hieruit niet dat de Belgische autoriteiten onverschillig staan tegenover de tekorten in de opvang. De Belgische autoriteiten geven bij het toekennen van plekken in de opvang voorrang aan kwetsbare groepen. Daardoor is opvang voor minderjarigen en jongeren onder de 20 jaar, ouderen, gezinnen (met en zonder kinderen), alleenstaande vrouwen, zwangere vrouwen, lgbtqi+ en personen met medische (inclusief psychische) klachten gegarandeerd. Hoewel wordt erkend dat momenteel in België voor personen die niet behoren tot een kwetsbare groep geen garantie bestaat op een onmiddellijke opvangplek in de reguliere opvang, wordt aan eiseres volgens de staatssecretaris echter na overdracht aan België wél voorrang gegeven bij een toewijzen van een opvangplaats, omdat zij een gezin vormt met minderjarige kinderen.
11. De rechtbank overweegt dat uit de door de staatssecretaris overgelegde brieven van de Belgische autoriteiten volgt – voor zover hier van belang – dat families, kinderen, vrouwen en andere kwetsbare personen na hun verzoek om internationale bescherming onmiddellijk een opvangplaats in België krijgen toegewezen. Eiseres heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat getwijfeld moet worden aan de juistheid van de informatie uit de brieven van de Belgische autoriteiten. Eiseres heeft ook niet met stukken onderbouwd dat zij, met minderjarige kinderen een gezin vormend, geen opvangplaats toegewezen zal krijgen. De rechtbank ziet daarom geen reden, ook in het geval van een herhaalde aanvraag, om eraan te twijfelen, dat het gezin van eiseres wordt aangemerkt als kwetsbaar, en dat eiseres om die reden voorrang zal krijgen bij toekenning van een opvangplek in België. De rechtbank verwijst daarnaast naar het claimverzoek en claimakkoord dat is gebaseerd op artikel 18, eerste lid letter d, van de Dublinverordening. Het vergelijk dat eiseres maakt met de uitspraken van de rechtbank, vermeld onder 7. gaat niet op omdat het daarin ging over de positie van meerderjarige mannen. De stelling van eiseres kan daarom niet worden gesteund door de door haar genoemde jurisprudentie. De staatssecretaris heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
12. Eiseres heeft ook aangevoerd dat de staatssecretaris de asielaanvraag aan zich dient te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening vanwege de bijzondere kwetsbaarheid van het jonge gezin. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris zich gelet op het voorgaande op het standpunt kunnen stellen dat daarvoor geen aanleiding bestaat.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Tijnagel, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:715
5.ECLI:EU:C:2019:218