ECLI:NL:RBDHA:2024:17988
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen weigering visum kort verblijf
Eiseres, een Syrische nationaliteit houdende vrouw, diende een aanvraag in voor een visum voor kort verblijf om haar zoon in Nederland te bezoeken. De aanvraag werd op 10 juli 2023 afgewezen. Vervolgens diende de referent, haar zoon, een bezwaarschrift in tegen deze weigering. Verweerder stelde dat het bezwaarschrift niet voldeed aan de wettelijke eisen, omdat er geen geldige schriftelijke machtiging was en het bezwaarschrift buiten de termijn was ingediend.
De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 32 van Pro de Visumcode alleen de aanvrager zelf bezwaar kan maken tegen een negatieve beslissing. De referent kon daarom niet zelfstandig bezwaar maken. Daarnaast was de overgelegde machtiging niet rechtsgeldig omdat de handtekening op het machtigingsformulier te sterk afweek van die van eiseres op haar aanvraagformulier en paspoort. Ook was niet duidelijk wanneer de machtiging was overgelegd en of deze daadwerkelijk door eiseres was ondertekend.
De rechtbank verwierp het verweer dat eiseres en referent gezamenlijk bevoegd waren om bezwaar te maken, omdat de aanvraag persoonlijk door eiseres was ingediend. Verweerder had bovendien voldoende gelegenheid geboden om het verzuim te herstellen, maar de overgelegde machtigingen bleken niet rechtsgeldig. De rechtbank concludeerde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard en verklaarde het beroep ongegrond. Eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het visum wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een rechtsgeldige machtiging en het ontbreken van een eigen beroepsrecht van de referent.