ECLI:NL:RBDHA:2024:18131
Rechtbank Den Haag
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking besluit Dublinprocedure
Verzoeker had beroep ingesteld tegen de verlenging of opschorting van de uiterste overdrachtstermijn in het kader van de Dublinverordening. De minister trok vervolgens het besluit in waarin de aanvraag van verzoeker niet in behandeling werd genomen omdat Polen verantwoordelijk was voor de behandeling. Hierdoor werd de asielaanvraag van verzoeker in de nationale procedure opgenomen.
Verzoeker trok zijn beroep in en verzocht om vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft de minister de gelegenheid gegeven te reageren. De minister stelde dat geen reden bestaat voor proceskostenvergoeding omdat de intrekking van het besluit niet voortkomt uit een tegemoetkoming aan verzoeker, maar uit het feit dat de overdrachtstermijn was verstreken.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet aan verzoeker is tegemoetgekomen. De intrekking van het besluit en opname in de nationale procedure is louter het gevolg van tijdsverloop en overschrijding van de overdrachtstermijn zoals genoemd in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Daarom is het verzoek om proceskostenvergoeding kennelijk ongegrond en wordt het afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van proceskosten wordt afgewezen omdat geen sprake is van tegemoetkoming door de minister.