Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
[verzoeker] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van advocaat mr. C.F. Korvinus,
adres: [adres] , [postcode] te Amsterdam
Rechtbank Den Haag
De verzoeker werd op verzoek van Turkije in december 2018 in Nederland in verzekering gesteld en vervolgens gedetineerd in het kader van een uitleveringsprocedure. In februari 2019 verklaarde de rechtbank de uitlevering toelaatbaar, en de Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van verzoeker. De verzoeker werd in december 2019 overgedragen aan Turkije en daar tot juni 2020 gedetineerd.
In maart 2022 sprak de Turkse rechtbank verzoeker vrij en kende hem schadevergoeding toe voor de detentie in Turkije, maar niet voor de detentie in Nederland. Het hoger beroep tegen dat deel werd in november 2023 afgewezen. In juni 2024 diende verzoeker bij de Nederlandse rechtbank een verzoek in tot schadevergoeding voor de uitleveringsdetentie in Nederland.
De rechtbank oordeelt dat artikel 533 Sv Pro en artikel 59 Uitleveringswet Pro geen grondslag bieden voor vergoeding van schade door uitleveringsdetentie in Nederland op basis van een buitenlands uitleveringsverzoek dat niet ontoelaatbaar is verklaard. De verzoeker wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot schadevergoeding en in zijn verzoek tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot schadevergoeding voor uitleveringsdetentie in Nederland wegens ontbreken wettelijke grondslag.