ECLI:NL:RBDHA:2024:1817
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 Vreemdelingenwet 2000
Eiser heeft beroep ingesteld tegen een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel verplicht eiser om binnen een bepaald gebied in de gemeente Hoogeveen te verblijven, naar aanleiding van een plaatsingsbesluit van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa).
Eiser stelde dat de maatregel onvoldoende was gemotiveerd, dat hij niet wist welke gedragingen hem werden verweten, en dat er sprake was van vrijheidsontneming in plaats van vrijheidsbeperking, met schending van artikel 5 EVRM Pro. Verweerder voerde aan dat het beroep enkel tegen de maatregel was gericht en niet tegen het plaatsingsbesluit, dat de maatregel op goede gronden was genomen en dat eiser voorafgaand aan de maatregel is gehoord met een tolk.
De rechtbank oordeelt dat het plaatsingsbesluit niet ter toetsing ligt omdat daartegen geen beroep is ingesteld. De rechtbank acht de motivering van de maatregel voldoende en stelt vast dat eiser correct is gehoord. De belangenafweging is zorgvuldig gemaakt en een lichter middel was niet passend. De stelling dat sprake is van vrijheidsontneming wordt verworpen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er volgt geen proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel wordt ongegrond verklaard.