ECLI:NL:RBDHA:2024:18373
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige ophouding wegens verkeerde grondslag en toekenning schadevergoeding
Eiser werd op 23 oktober 2024 opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waarna de ophouding dezelfde dag werd beëindigd. Eiser stelde op 24 oktober 2024 beroep in tegen deze ophouding. De rechtbank onderscheidt de situatie van beroep tegen ophouding zonder aansluitende bewaringsmaatregel van die waarbij een bewaringsmaatregel volgt. In het eerste geval is een ophouding op een verkeerde grondslag onrechtmatig, ongeacht dat de ophouding ook op een andere grondslag had kunnen plaatsvinden.
De rechtbank oordeelt dat artikel 94, eerste lid, Vw niet ziet op beroep tegen ophouding zonder aansluitende bewaringsmaatregel, zodat een verzoek om schadevergoeding uitdrukkelijk moet worden gedaan. Eiser heeft dit gedaan en de rechtbank kent een schadevergoeding van €130 toe, zonder matiging vanwege de beperkte duur van de ophouding. Tevens worden proceskosten van €1.750 toegewezen aan eiser.
De rechtbank gaat niet in op de principiële vraag of zij de rechtmatigheid van de ophouding ambtshalve moet beoordelen. De uitspraak is definitief en hoger beroep is uitgesloten op grond van artikel 84 Vw Pro. De rechtbank concludeert dat eiser onrechtmatig is opgehouden omdat zijn identiteit onmiddellijk kon worden vastgesteld en de ophouding op een verkeerde grondslag plaatsvond.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, kent een schadevergoeding van €130 toe en veroordeelt verweerder in de proceskosten.