ECLI:NL:RVS:2024:3884
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdverklaring hoger beroep tegen uitspraak ophouding vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid hield de vreemdeling op 5 juni 2024 op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verklaarde het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen deze ophouding op 24 juni 2024 ongegrond. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overweegt dat de uitspraak van de rechtbank betrekking heeft op de wettelijke grondslag van de ophouding, waartegen volgens artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 geen hoger beroep mogelijk is. Het feit dat in de uitspraak ten onrechte staat dat hoger beroep wel mogelijk is, verandert hier niets aan.
De vreemdeling voerde geen omstandigheden aan die het verbod op hoger beroep doorbreken, zoals het ontbreken van een eerlijk proces. De Afdeling verklaart zich daarom onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen en bepaalt dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep tegen de uitspraak over de ophouding van de vreemdeling.