ECLI:NL:RBDHA:2024:18410
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
De rechtbank Den Haag heeft op 5 november 2024 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie had de aanvraag niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag op grond van de Dublinverordening.
Eiser voerde aan dat de situatie in Duitsland negatief is veranderd, dat hij mogelijk toegang tot Duitsland zou worden geweigerd en dat hij bij overdracht aan Duitsland waarschijnlijk naar Turkije zou worden teruggestuurd vanwege zijn dubbele nationaliteit. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dat inhoudt dat lidstaten mogen vertrouwen op de correcte behandeling van asielzoekers door andere lidstaten volgens het EVRM en het Vluchtelingenverdrag.
De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 van Pro het Handvest. Ook het beroep op bijzondere, individuele omstandigheden op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro werd verworpen omdat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet was weerlegd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat de asielaanvraag terecht niet in behandeling is genomen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter M.S. de Vries.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag blijft in stand.