ECLI:NL:RBDHA:2024:18694

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 oktober 2024
Publicatiedatum
13 november 2024
Zaaknummer
11207777
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253j BWArt. 1:253l BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering door meerderjarige van geld dat ouder van spaarrekening minderjarige heeft overgemaakt

De zaak betreft een vordering van een meerderjarige dochter tegen haar moeder, die tijdens de minderjarigheid het ouderlijk gezag uitoefende en geld van de spaarrekening van de dochter naar haar eigen rekening heeft overgemaakt. De dochter stelt dat het saldo op de rekening tot haar vermogen behoort en dat de moeder dit bedrag onrechtmatig heeft beheerd.

De rechtbank stelt vast dat het vermogen van een minderjarige in beginsel is afgezonderd van dat van de ouders en dat ouders als bewindvoerders gehouden zijn het vermogen als goede beheerders te beheren. Het overmaken van € 6.530,74 door de moeder naar haar eigen rekening wordt niet als goed bewind beschouwd. Er is geen harde afspraak over uitbetaling, en het eigendom van het bedrag blijft bij de dochter.

De rechtbank wijst de vordering tot terugbetaling toe, vermindert het bedrag tot € 6.080,74, kent wettelijke rente toe vanaf de dag van dagvaarding en wijst buitengerechtelijke incassokosten toe tot het wettelijke tarief van € 679,04. De vordering van de moeder tot het onder ede horen van de dochter en haar vader wordt afgewezen wegens gebrek aan grondslag. Proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De moeder wordt veroordeeld tot terugbetaling van € 6.759,78 met wettelijke rente vanaf 14 mei 2024.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Gravenhage
Zaaknummer: 11207777 \ RL EXPL 24-12973
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 16 oktober 2024
in de zaak van
[naam 1],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [naam 1] ,
gemachtigde: mr. M.B. Visser,
tegen
[naam 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [naam 2] ,
gemachtigde: [gemachtigde] .
De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in 's-Gravenhage.
De zaak wordt behandeld door mr. E.A.W. Schippers, kantonrechter, en mr. N.H. Schaap als griffier.
Verschenen zijn aan de zijde van eiser:
  • [naam 1]
  • mr. M.B. Visser
Verschenen zijn aan de zijde van gedaagde:
  • [naam 2]
  • [gemachtigde]
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1.De beoordeling

in conventie
1.1.
Het staat vast dat [naam 2] het ouderlijk gezag heeft gehad over [naam 1] . Wanneer een ouder het gezag alleen uitoefent, dan wordt door die ouder het bewind over het vermogen van het kind gevoerd. Ingeval van gezamenlijke gezagsuitoefening voeren de ouders gezamenlijk het bewind over het vermogen van het kind. Op het in de dagvaarding onder randnummer 2 genoemde rekeningnummer werd geld gespaard voor [naam 1] . De vraag die partijen verdeeld houdt is of het saldo op de bankrekening, die op naam van [naam 1] staat, tot het vermogen van [naam 1] behoort.
1.2.
Vermogens van kinderen zijn in beginsel afgezonderd van het vermogen van hun ouders. Op grond van artikel 1:253l BW heeft elke ouder die het gezag over zijn kind uitoefent, alleen het vruchtgenot over het vermogen van zijn kind. Het saldo van de bankrekening van het kind behoort tot het vermogen van de minderjarige. Op ouders rust op grond van artikel 1:253j BW de verplichting het bewind over het vermogen van hun kind als goede bewindvoerders uit te voeren. Bij slecht bewind zijn zij voor de daaraan te wijten schade aansprakelijk.
1.3.
[naam 2] beheerde de bankrekening van [naam 1] gedurende haar minderjarigheid. Zij erkent dat zij een bedrag van € 6.530,74 van de bankrekening van [naam 1] heeft overgemaakt naar haar eigen bankrekening. Het zichzelf toe-eigenen van een geldbedrag van een minderjarig kind door één van de ouders heeft in beginsel niet te gelden als goed bewindvoerderschap over het vermogen van die minderjarige. Het doet daarbij niet ter zake wie het geld voor de minderjarige heeft gespaard. Er kunnen goede redenen zijn om het geld tijdelijk op een andere rekening te plaatsen, maar het eigendom van het bedrag wijzigt daarmee niet. Nu [naam 1] meerderjarig is geworden komt het bedrag haar toe. Uit de overgelegde correspondentie tussen partijen volgt geen harde afspraak over uitbetaling van het bedrag. Te lezen is dat [naam 1] aangeeft wat zij met het spaargeld van plan is, waarop [naam 2] laat weten dit een mooi doel te vinden. Van aanbod en aanvaarding is, anders dan [naam 2] stelt, geen sprake.
1.4.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de vordering zal worden toegewezen. Dit betekent dat [naam 2] zal worden veroordeeld om een bedrag van € 6.080,74 aan [naam 1] te betalen.
1.5.
Tegen de gevorderde rente is geen zelfstandig verweer gevoerd. De wettelijke rente zal als op de wet gegrond worden toegewezen, zij het vanaf de dag van de dagvaarding in plaats van vanaf de dag dat [naam 1] meerderjarig is geworden.
1.6.
[naam 1] vordert een bedrag van € 701,54 als vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten. [naam 1] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag toewijzen tot het wettelijke tarief berekend over het toegewezen bedrag van € 6.080,74, wat neerkomt op € 679,04.
1.7.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
6.080,74
- buitengerechtelijke incassokosten
679,04
+
Totaal
6.759,78
1.8.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in reconventie
1.9.
[naam 2] heeft bevestigd dat de vordering tot het onder ede horen van [naam 1] en de vader van [naam 1] moet worden gelezen als een eis in reconventie. De vordering zal worden afgewezen nu deze grondslag mist. Door [naam 2] is onvoldoende onderbouwd waarom [naam 1] en haar vader onder ede zouden moeten worden gehoord.
1.10.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

2.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
2.1.
veroordeelt [naam 2] om aan [naam 1] te betalen een bedrag van € 6.759,78, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 14 mei 2024, tot de dag van volledige betaling,
2.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
2.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in reconventie
2.4.
wijst de vorderingen van [naam 2] af,
2.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. E.A.W. Schippers en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt.