ECLI:NL:RBDHA:2024:18699

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 november 2024
Publicatiedatum
13 november 2024
Zaaknummer
NL24.38036
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting in vreemdelingenzaak familie en gezin

Verzoeker heeft een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het verblijfsdoel 'familie en gezin' ingediend, welke door verweerder is afgewezen bij besluit van 2 juli 2024. Hiertegen is bezwaar gemaakt en verzoeker heeft tevens een voorlopige voorziening gevraagd om de uitzetting op te schorten totdat het bezwaar is behandeld.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de afwijzing van de aanvraag leidt tot het verlies van rechtmatig verblijf en dat verzoeker mogelijk vreemdelingenbewaring wordt genomen, wat een spoedeisend belang oplevert. Verweerder heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de voorlopige voorziening.

Daarom wordt het verzoek tot voorlopige voorziening toegewezen, waardoor de uitzetting wordt opgeschort tot na de beslissing op het bezwaar. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van verzoeker.

Uitkomst: De uitzetting van verzoeker wordt opgeschort tot na de beslissing op het bezwaar tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.38036

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Hopman).

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een mvv voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ afgewezen.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van een voorlopige voorziening te bepalen dat hij de uitkomst van het bezwaar in Nederland mag afwachten.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. De afwijzing van de aanvraag heeft tot gevolg dat eiser niet langer rechtmatig verblijf heeft en dat hij uitzetbaar is. Eiser heeft aangevoerd dat hij in vreemdelingenbewaring dreigt te worden genomen. De voorzieningenrechter neemt gelet hierop onverwijlde spoed aan. Verweerder heeft op 8 oktober 2024 laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek tot het treffen van de voorlopige voorziening hangende de bezwaarprocedure.
3. Nu verweerder zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek, zal de voorzieningenrechter het verzoek als kennelijk gegrond toewijzen en daartoe bepalen dat de uitzetting van verzoeker achterwege dient te blijven tot na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar tegen het bestreden besluit.
4. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van
€ 187 vergoedt. Verder moet verweerder een vergoeding betalen voor de proceskosten die verzoeker heeft gemaakt. De voorzieningenrechter stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde van €875 per punt en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • bepaalt dat de uitzetting van verzoeker achterwege dient te blijven tot na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar tegen het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187 (honderdzevenentachtig euro) aan verzoeker te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 875 (achthonderdvijfenzeventig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 12 november 2024 door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.