ECLI:NL:RBDHA:2024:1875

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 februari 2024
Publicatiedatum
16 februari 2024
Zaaknummer
NL24.3031
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 2 VwArt. 106 VwVreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling zonder zwaarwegende omstandigheden ongegrond

Eiser, van Palestijnse afkomst en met internationale bescherming in België, werd op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in bewaring gesteld. De maatregel werd later opgeheven, waarna eiser beroep instelde tegen de bewaring en tevens een verzoek tot schadevergoeding indiende.

De rechtbank beoordeelde of de bewaring onrechtmatig was geweest voorafgaand aan de opheffing. Hoewel eiser medische klachten en vrees voor uitzetting naar Palestijns grondgebied aanvoerde, vond de rechtbank deze omstandigheden onvoldoende zwaarwegend om de bewaring te weerleggen. De medische situatie van eiser rechtvaardigde geen detentieonbekwaamheid en hij had toegang tot noodzakelijke zorg.

Ook de stellingen over onderdak en middelen werden niet als zwaarwegend erkend. De vrees voor uitzetting diende volgens de rechtbank in België te worden besproken. De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.3031

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 30 januari 2024 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 7 februari 2024 op zitting behandeld in Breda. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.H. van Akenborgh, als waarnemer voor zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1980 en van Palestijnse afkomst te zijn.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Uit de motivering van de maatregel volgt dat eiser internationale bescherming geniet in België. Verder volgt uit het dossier dat de voor de terugkeer naar België noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn, zodat verweerder op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw bevoegd was tot het opleggen van de maatregel.
4. Hierbij wordt aangenomen dat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert. Dit rechtsvermoeden hoeft in beginsel niet aan de hand van persoonlijke feiten en omstandigheden te worden gemotiveerd. Dit laat onverlet dat eiser zwaarwegende feiten en omstandigheden kan stellen op grond waarvan verweerder van inbewaringstelling moet afzien, dan wel moet motiveren waarom eiser toch in bewaring
moet blijven. [2]
5. Eiser voert aan dat hij vreest door de Belgische autoriteiten te worden uitgezet naar Palestijns grondgebied, terwijl de situatie daar zeer gevaarlijk is. Verder heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eiser geen paspoort heeft, nu dit inherent is aan zijn Palestijnse afkomst. Ook is ten onrechte tegengeworpen dat eiser geen voldoende middelen heeft, omdat hij heeft verklaard € 3.000 te bezitten. Verder verbleef eiser in een vrijheidsbeperkende locatie en kan daarom niet worden tegengeworpen dat eiser geen onderdak had. Daarnaast heeft eiser maagklachten en kiespijn. Ten onrechte is niet bezien of eiser in Nederland diende te blijven voor de behandeling van zijn maagklachten.
6. Uit wat eiser heeft aangevoerd volgt niet dat verweerder van het opleggen van de maatregel had moeten afzien, dan wel dat hij de noodzaak van de maatregel verder had moeten onderbouwen. Verweerder heeft eisers medische situatie daarvoor terecht onvoldoende redengevend geacht. Van belang daarbij is dat uit de maatregel blijkt dat eiser niet onder behandeling staat voor zijn maagklachten. Niet is gebleken dat eiser vanwege zijn gezondheid detentieongeschikt is. Zoals verder is gemotiveerd in de maatregel heeft eiser in het detentiecentrum toegang gehad tot de voor hem noodzakelijke medische zorg.
7. De verklaringen van eiser over het hebben van onderdak en voldoende middelen heeft verweerder ook terecht niet aangemerkt als zwaarwegende omstandigheden. De stelling van eiser dat ten onrechte is tegengeworpen dat hij geen paspoort bezit, kan nergens toe leiden nu dit niet aan hem is tegengeworpen. Ten aanzien van eisers vrees om door België uitgezet te worden, heeft verweerder voorts terecht overwogen dat eiser deze vrees in België aan de orde dient te stellen.
8. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig was.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:667.