ECLI:NL:RVS:2022:667
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- D.A. Verburg
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onrechtmatige inbewaringstelling vreemdeling wegens motiveringsgebrek en ontbrekende reisdocumenten
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 4 oktober 2021 in bewaring met het oog op gedwongen vertrek naar Italië, waar de vreemdeling internationale bescherming geniet. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, oordeelde dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was en beval de opheffing daarvan, met toekenning van schadevergoeding.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte vond dat de motivering van de bewaring onvoldoende was, met name omtrent het openbare-ordecriterium. De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris terecht uitgaat van een rechtsvermoeden dat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling rechtvaardigt, maar dat de vreemdeling zwaarwegende feiten kan aanvoeren om dit te betwisten.
De Raad van State constateerde dat de staatssecretaris onvoldoende concreet heeft gemaakt dat de noodzakelijke reisdocumenten voor terugkeer naar Italië op korte termijn beschikbaar zouden zijn. De aanvraag bij de Italiaanse autoriteiten vond pas zeven dagen na de inbewaringstelling plaats, wat niet voldoet aan de vereisten van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hierdoor is de maatregel van bewaring onrechtmatig en blijft de uitspraak van de rechtbank in stand.
De Raad van State veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van €759,00 en bevestigt de opheffing van de bewaring.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de onrechtmatigheid van de inbewaringstelling en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.