ECLI:NL:RBDHA:2024:18874
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende medewerking
De minister van Asiel en Migratie legde op 6 juni 2024 aan eiser een maatregel van vreemdelingenbewaring op op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze bewaring. De rechtbank toetste de rechtmatigheid van de maatregel sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 17 september 2024.
Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende voortvarend was in het verkrijgen van zijn echte gegevens en dat het verslag van het vertrekgesprek van 26 september 2024 niet aan het dossier was toegevoegd. De rechtbank oordeelde dat het verslag op 21 oktober 2024 wel aan het dossier was toegevoegd en dat eiser onvoldoende medewerking verleende om zijn identiteit te verifiëren.
De rechtbank stelde dat eiser niet had voldaan aan zijn verplichting om concrete en verifieerbare gegevens, zoals een paspoort, te overleggen. De minister had daarom niet de verplichting om de door eiser gestelde gegevens aan de Algerijnse autoriteiten te verstrekken. De minister had regelmatig vertrekgesprekken gevoerd en op 2 oktober 2024 een rappel gestuurd aan de Algerijnse autoriteiten.
De rechtbank concludeerde dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld en dat de maatregel van bewaring rechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard wegens onvoldoende medewerking van eiser en voldoende voortvarendheid van de minister.