Eiser, van Algerijnse nationaliteit, werd op 1 oktober 2024 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was gericht op het verkrijgen van noodzakelijke gegevens voor de beoordeling van zijn asielaanvraag. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank stelde vast dat eiser de door de minister genoemde gronden voor bewaring niet had betwist en oordeelde dat de motivering van de maatregel toereikend was. De rechtbank verwierp het verweer van eiser dat een lichter middel had moeten worden toegepast, omdat de minister voldoende had gemotiveerd dat er een risico bestond dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. Ook was volgens de rechtbank de minister voldoende voortvarend geweest in de asielprocedure.
Verder oordeelde de rechtbank dat het ontbreken van zicht op uitzetting naar Algerije geen vereiste is voor de toepassing van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, conform vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De ambtshalve toetsing leidde tot de conclusie dat de maatregel niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.