ECLI:NL:RVS:2018:271
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.B.M. Hent
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring bij twijfel aan identiteit en nationaliteit van asielzoekers
Bij besluiten van 17 mei 2017 zijn vreemdelingen in vreemdelingenbewaring gesteld vanwege twijfel aan hun identiteit en nationaliteit. De rechtbank Den Haag verklaarde de beroepen van de vreemdelingen gegrond en hevelde de bewaring op, met toekenning van schadevergoeding. De staatssecretaris stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) rechtmatig is, omdat de vreemdelingen geen originele identiteitsdocumenten konden overleggen en geen aannemelijke verklaring gaven voor het ontbreken daarvan. De Afdeling bevestigt dat de bewaring niet in strijd is met het EU-Handvest en het EVRM, mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 14 september 2017.
Verder stelt de Afdeling dat de rechtbank ten onrechte een belangenafweging maakte en dat de staatssecretaris niet verplicht is voortvarend te handelen bij de behandeling van asielaanvragen binnen de wettelijke termijnen. De verzoeken om schadevergoeding worden afgewezen. De hoger beroepen worden gegrond verklaard, de uitspraken van de rechtbank vernietigd en de beroepen van de vreemdelingen ongegrond verklaard.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdelingen is rechtmatig verklaard en hun beroepen ongegrond, met afwijzing van schadevergoeding.