ECLI:NL:RBDHA:2024:189

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 januari 2024
Publicatiedatum
10 januari 2024
Zaaknummer
C/09/658713/KG RK 23-1557
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek wegens onvoldoende aanwijzingen voor partijdigheid rechter

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. S.L.M. Staals, rechter in de rechtbank Den Haag, vanwege vermeende partijdigheid in een civiele zaak tegen Hoist Finance AB. Het verzoek berustte op de stelling dat de rechter koste wat kost de vordering van verzoeker wilde tegenhouden, wat tot vertraging van de zaak zou hebben geleid.

De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van het criterium dat een rechter alleen gewraakt kan worden bij bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid. De kamer concludeerde dat verzoeker onvoldoende feiten en omstandigheden had aangevoerd ter onderbouwing van deze stelling.

Gezien het ontbreken van concrete aanwijzingen achtte de wrakingskamer het verzoek kennelijk ongegrond en wees het af. Er werd geen mondelinge behandeling gehouden omdat het debat over de gegrondheid van het verzoek niet aan de orde was. De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die was ten tijde van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van partijdigheid.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2023/119
zaak- /rekestnummer: C/09/658713 / KG RK 23-1557
Beslissing van 10 januari 2024
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. S.L.M. Staals,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 15 december 2023.
1.2.
De wrakingskamer heeft de beschikking over het dossier in de hoofdzaak.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer 10037841 RL EXPL 22-12820 tussen verzoeker en Hoist Finance AB, als rechtsopvolger van Essent Retail Energie B.V.
2.2.
Het verzoek is per e-mail ingediend en de inhoud van die e-mail luidt, voor zover van belang voor de beoordeling van het wrakingsverzoek, als volgt:
“In deze zaken een misbruik van betrokken rechters zichtbaar is. Vooral in de zaak van de energie Essent de kantonrechter wilde koste wat kost mijn vordering tegen houden en daardoor ook deze zaak zo lang is uitgesteld is.
(…)
Ik beroep op de artikel wraking in beide rechtszaken in komend tijd in december van 2023. Omdat de betrokken rechters blijkbaar ongeschikt zijn om te beoordelen.
Ik moet in de zitting van de wraking aanwezig zijn om geldige zitting te worden.”

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
De wrakingskamer is van oordeel dat het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond is en zal het verzoek daarom afwijzen. Verzoeker heeft onvoldoende geconcretiseerd welke bijzondere omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid van de rechter. Verzoeker heeft slechts gesteld dat de rechter koste wat kost de vordering van verzoeker heeft willen tegenhouden en dat daardoor de zaak zo lang is uitgesteld. Deze stelling heeft verzoeker evenwel op geen enkele wijze aan de hand van feiten en omstandigheden onderbouwd.
3.3.
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, M. Kramer en A.M.A. Keulen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.