Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2024:18970

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 november 2024
Publicatiedatum
18 november 2024
Zaaknummer
C/09/663289 / HA RK 24-147
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 RWNArt. 4 lid 1 RWNArt. 17 RWNToescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten (TOS)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlanderschap op grond van Rijkswet en TOS

Verzoekster, geboren in Suriname in 1956 en woonachtig in Venezuela, verzocht de rechtbank om vaststelling van haar Nederlanderschap op grond van artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Zij stelde dat haar moeder ten tijde van haar geboorte de Nederlandse nationaliteit had en dat zij het Nederlanderschap daardoor ontleent aan artikel 3, lid 1 RWN. Tevens wees zij op haar vader, van wie in 2023 is vastgesteld dat hij haar biologische vader is en die de Nederlandse nationaliteit bezat.

De rechtbank oordeelde dat verzoekster geen bewijs heeft geleverd dat haar moeder in 1956 de Nederlandse nationaliteit bezat. De vaststelling van het vaderschap in 2023 is niet relevant voor het Nederlanderschap ten tijde van haar geboorte, mede omdat verzoekster toen meerderjarig was en artikel 4 lid 1 RWN Pro dit uitsluit. Daarnaast heeft verzoekster na haar geboorte de Venezolaanse nationaliteit verkregen en is zij in 2022 genaturaliseerd tot Surinaamse, waardoor haar Nederlandse nationaliteit is komen te vervallen.

De rechtbank concludeerde dat verzoekster niet de Nederlandse nationaliteit bezit en wees het verzoek af. De beschikking werd uitgesproken door drie rechters op 7 november 2024 tijdens een openbare terechtzitting.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap is afgewezen omdat verzoekster niet kan aantonen dat zij Nederlander is.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 24-147
Zaaknummer: C/09/663289
Datum beschikking: 7 november 2024

Beschikking op het op 19 maart 2024 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster] ,

verzoekster,
wonende te Venezuela,
advocaat: mr. J. Singh te Hoofddorp.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de IND”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: [naam] .

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift met bijlage;
  • de brief van 29 april 2024, met bijlagen, van de IND;
  • de brief van 26 juni 2024, met bijlage, van verzoekster;
  • de brief van 22 juli 2024, met bijlage, van verzoekster.
Op 10 oktober 2024 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van verzoekster en [naam] namens de IND.
Van de zijde van de IND is een nader stuk (besluit van 13 juli 2022 van de president van de republiek Suriname tot naturalisatie van verzoekster) overgelegd. Verzoekster is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet op de zitting verschenen.

Verzoek en het standpunt van de IND

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van het Nederlanderschap van verzoekster.
De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek.

Feiten

  • Verzoekster is geboren op [geboortedag 1] 1956 te [geboorteplaats 1] , Suriname uit:
  • Verzoekster staat niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Zij staat
  • Verzoekster beschikt over een Venezolaans paspoort.
  • Bij besluit van 13 juli 2022 van de president van de republiek Suriname heeft
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 22 september 2023 is vastgesteld dat
  • Uit een uittreksel van de BRP van 10 juli 2024 volgt dat de vader van verzoekster

Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat het verzoek is gegrond op artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Op basis van dit artikel is de rechtbank enkel bevoegd om tot vaststelling van het Nederlanderschap van een persoon over te gaan of tot vaststelling dat die persoon het Nederlanderschap niet bezit. De rechtbank kan niet het Nederlanderschap verlenen.
In geschil is of verzoekster in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.
Verzoekster stelt dat dit het geval is. Ter onderbouwing hiervan voert verzoekster aan dat, toen zij werd geboren, haar moeder de Nederlandse nationaliteit had, zodat zij het Nederlanderschap ontleent aan artikel 3, lid 1 RWN. Ook haar vader, waarvan in 2023 is vastgesteld dat verzoekster van hem afstamt, had de Nederlandse nationaliteit.
Tenslotte voert verzoekster aan dat zij op grond van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (Trb. 1975, 132; hierna: TOS) nooit (actief) afstand heeft gedaan van haar Nederlandse nationaliteit. Ten tijde van de TOS woonde verzoekster niet in Suriname, maar in Venezuela.
Volgens de IND is niet gebleken dat de moeder, ten tijde van de geboorte van verzoekster, de Nederlandse nationaliteit had. De IND stelt zich daarom op het standpunt dat verzoekster zowel de Venezolaanse als Surinaamse heeft, omdat zij beschikt over een Venezolaans paspoort en in 2022 is genaturaliseerd tot Surinaamse. Bij beschikking van 22 september 2023 is weliswaar gerechtelijk vastgesteld dat [de vader] de biologische vader van verzoekster is, maar op dat moment was verzoekster al geruime tijd meerderjarig. Artikel 4 lid 1 RWN Pro staat eraan in de weg dat verzoekster als meerderjarige alsnog Nederlanderschap ontleent aan haar vader.
De rechtbank concludeert dat verzoekster niet de Nederlandse nationaliteit heeft en legt dit uit als volgt.
Verzoekster heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat haar moeder, ten tijde van de geboorte van verzoekster in 1956, de Nederlandse nationaliteit had. De rechtbank kan dat daarom niet vaststellen. De omstandigheid dat in 2023 gerechtelijk is vastgesteld dat [de vader] de vader is van verzoekster, is niet relevant voor de vaststelling van het Nederlandschap. Verzoekster was toen immers meerderjarig. De vaststelling van het vaderschap heeft niet met terugwerkende kracht invloed op de vraag naar het Nederlanderschap van verzoekster ten tijde van haar geboorte, zo volgt uit artikel 4, lid 1 RWN. Ten overvloede stelt de rechtbank vast dat ook al zou verzoekster vanaf haar geboorte de Nederlandse nationaliteit hebben gehad en deze in het kader van de TOS hebben behouden – haar Nederlandse nationaliteit in dat geval is komen te vervallen toen verzoekster de Venezolaanse nationaliteit verkreeg en daarna in 2022 ook nog is genaturaliseerd tot Surinaamse.
Gelet op al het bovenstaande, zal de rechtbank het verzoek afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, mr. A.M.M. Vingerling en mr. S.J. Huizenga, rechters, bijgestaan door mr. M.G.J. Konings als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 november 2024.