ECLI:NL:RBDHA:2024:19020
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvragen op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eisers, broer en zus van Syrische nationaliteit, vroegen asiel aan in Nederland, maar de minister nam hun aanvragen niet in behandeling omdat Kroatië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is. Nederland had op 29 mei 2024 een verzoek tot terugname aan Kroatië gedaan, dat op 12 juni 2024 werd aanvaard.
Eisers voerden aan dat Nederland op grond van familiebanden volgens hoofdstuk 3 van de Dublinverordening verantwoordelijk zou moeten zijn. De rechtbank oordeelt echter dat deze familiebanden niet voldoen aan de definitie van gezinsleden en dat eisers meerderjarig waren bij de aanvragen, waardoor Nederland niet verantwoordelijk is.
Eisers stelden dat Kroatië systeemfouten kent en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is vanwege slechte opvang en risico's op pushbacks. De rechtbank volgt dit niet en verwijst naar een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak die ook de opvangvoorzieningen betrekt. Eisers hebben onvoldoende onderbouwd dat zij geen klachten kunnen indienen bij Kroatische autoriteiten.
Ten slotte stelde eisers dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening ten onrechte niet werd toegepast wegens mensonterende behandeling in Kroatië. De rechtbank vindt dat de minister dit standpunt redelijk heeft gemotiveerd en dat de omstandigheden geen aanleiding geven om de aanvragen onverplicht in behandeling te nemen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorzieningen af.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen wordt ongegrond verklaard.