ECLI:NL:RBDHA:2024:19113

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 oktober 2024
Publicatiedatum
20 november 2024
Zaaknummer
NL24.18678
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minister in proceskosten wegens niet-tijdig besluit nareis asiel

Verzoeker is op 28 april 2024 in beroep gegaan tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf met als doel nareis asiel. Hoewel verweerder op 29 juli 2024 alsnog een beslissing nam, trok verzoeker het beroep in en verzocht de rechtbank om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

De rechtbank oordeelt dat verweerder verzoeker tegemoet is gekomen door alsnog een besluit te nemen tijdens het beroep. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 437,50 op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank acht het beroep van licht gewicht omdat het uitsluitend ging om de overschrijding van de beslistermijn. Tevens wordt verweerder verplicht het betaalde griffierecht aan verzoeker te vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier D.D. Bijlhout op 18 oktober 2024.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker wegens niet-tijdig beslissen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.18678
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [verzoeker], V-nummer: [V nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,verweerder

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder heeft gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.1
2. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen.2
3. Verzoeker is op 28 april 2024 in beroep gegaan, omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf met als doel ‘nareis asiel’. Op 29 juli 2024 heeft verweerder alsnog een beslissing genomen op zijn aanvraag. Verzoeker heeft daarna het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingetrokken en daarbij de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
4. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan verzoeker tegemoet is gekomen door hangende het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog een besluit op de aanvraag te nemen. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom in de door verzoeker gemaakte proceskosten.
5. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50. (1 punt voor het
1. Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Op grond van artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Awb en Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875,- met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat het ingestelde beroep van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Anders dan eiser heeft aangevoerd geven de gronden van het beroep geen aanleiding om te oordelen dat deze zaak van gemiddeld gewicht is.
6. Gelet op artikel 8:41, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient verweerder het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van D.D. Bijlhout, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
18 oktober 2024

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.