ECLI:NL:RBDHA:2024:19136
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens niet voldoen aan voorwaarden artikel 31 lid 6 Vreemdelingenwet 2000
Eiser diende een asielaanvraag in die door de minister op 7 oktober 2024 als kennelijk ongegrond werd afgewezen. De minister stelde dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat zijn verklaringen niet samenhangend en aannemelijk waren en hij geen documenten overlegde ter onderbouwing.
De rechtbank oordeelde dat eiser wisselende verklaringen gaf over zijn identiteit en nationaliteit, onvoldoende concrete informatie gaf over de bedreigingen die hij stelde te ondervinden, en geen oprechte inspanning leverde om zijn aanvraag te staven. Ook werd vastgesteld dat eiser zijn aanvraag niet zo spoedig mogelijk had ingediend en dat hij niet als geloofwaardig kon worden beschouwd.
Eiser voerde aan dat zijn psychotrauma en bewijsnood verklaren waarom hij geen documenten kon overleggen en dat littekens zijn verhaal ondersteunen. De rechtbank vond deze betogen onvoldoende onderbouwd en zag geen aanleiding om het standpunt van de minister te wijzigen.
De rechtbank concludeerde dat de minister terecht de aanvraag als kennelijk ongegrond heeft afgewezen, waardoor eiser geen verblijfsvergunning krijgt, onmiddellijk moet vertrekken en een inreisverbod van twee jaar opgelegd krijgt. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond.