ECLI:NL:RBDHA:2024:19167
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende binding en twijfel over tijdige terugkeer
Eiseres, een Pakistaanse vrouw met een echtgenoot en twee minderjarige kinderen, vroeg een visum kort verblijf aan om haar broer in Nederland te bezoeken. Verweerder wees de aanvraag af wegens onvoldoende economische binding met Pakistan en twijfels over tijdige terugkeer, mede vanwege het Ahmadi-geloof van eiseres en haar familie.
De rechtbank oordeelde eerder dat het ontbreken van een economische binding niet automatisch twijfel over terugkeer betekent als er een sterke sociale binding is. In het bestreden besluit werd echter voldoende gemotiveerd dat de sociale binding niet opweegt tegen het gebrek aan economische binding, mede omdat het gezin in Pakistan achterblijft en de mogelijkheid bestaat dat eiseres asiel aanvraagt in Nederland.
Eiseres voerde aan dat verweerder onvoldoende rekening hield met haar sterke sociale banden en overgelegde bewijs van economische binding. De rechtbank concludeerde dat verweerder binnen zijn beoordelingsmarge heeft gehandeld en dat het visum kort verblijf niet bedoeld is voor het uitoefenen van gezinsleven in Nederland. Het beroep wordt ongegrond verklaard, zonder toekenning van griffierecht of proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende binding en twijfel over tijdige terugkeer.