Eiser heeft een handhavingsverzoek ingediend tegen de houten erfafscheiding van de buren vanwege vermeende overtreding van de maximale toegestane hoogte en de nabijheid van bomen tot de erfgrens. De gemeente heeft het verzoek aanvankelijk afgewezen omdat geen overtreding werd geconstateerd, maar heeft dit later gewijzigd door te erkennen dat er sprake was van een geringe overtreding. De rechtbank heeft vastgesteld dat de schutting op het hoogst gemeten punt 2,05 meter is, wat 5 centimeter hoger is dan de vergunningsvrije hoogte van 2 meter.
De rechtbank oordeelt dat het onderzoek van de gemeente zorgvuldig is verlopen en dat de meting correct is uitgevoerd vanaf het terrein van de derde-partij. De vermeende kunstmatige ophoging van het perceel is niet aannemelijk gemaakt. Hoewel er sprake is van een overtreding, is deze van geringe aard en is handhaving in verhouding tot de belangen onevenredig. Daarnaast is vastgesteld dat de afstand van bomen tot de erfgrens een burgerlijkrechtelijke aangelegenheid betreft en niet bestuursrechtelijk handhaafbaar is.
Eiser heeft ook procedurele bezwaren geuit over het ontbreken van een gezamenlijke hoorzitting met de derde-partij, maar de rechtbank acht dit gebrek hersteld en niet benadelend voor eiser. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het besluit van de gemeente om niet handhavend op te treden tegen de schutting en de bomen nabij de erfgrens.