ECLI:NL:RBDHA:2024:19384
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverwijzing naar Zweden
De rechtbank Den Haag heeft op 19 november 2024 het beroep van eiser behandeld tegen het besluit van 29 oktober 2024 waarbij de minister zijn asielaanvraag niet in behandeling nam omdat Zweden verantwoordelijk wordt geacht. De gemachtigde van eiser verscheen niet op de zitting wegens ziekte, en een verzoek tot aanhouding werd te laat ingediend, waardoor de rechtbank dit als een verzoek tot heropening van het onderzoek afwees.
Eiser stelde dat overdracht aan Zweden indirect refoulement zou veroorzaken, omdat hij na uitputting van de procedure in Zweden direct naar Syrië zou worden teruggestuurd, wat een schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro zou betekenen. De rechtbank overwoog dat het arrest van het Hof van Justitie van 30 november 2023 duidelijk stelt dat in Dublinprocedures geen toetsing aan indirect refoulement plaatsvindt indien het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt.
Verder concludeerde de rechtbank dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er fundamentele systeemfouten zijn in de Zweedse asielprocedure, ook niet vanwege het ontbreken van kosteloze rechtsbijstand na uitputting van de procedure. De minister mocht daarom uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en hoefde geen individuele garanties bij Zweden te vragen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen en liet de overdracht aan Zweden toe. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. Er werd geen aanleiding gezien voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.