Verzoekers, wonende in een huurwoning, verzochten de rechtbank om een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet, nadat verhuurder een ontruiming van hun woning had aangekondigd per 15 november 2024. De rechtbank stelde vast dat sprake was van een bedreigende situatie en dat het minnelijk traject voor schuldregeling was gestart.
De rechtbank oordeelde dat de lopende huurtermijnen voldoende waren gegarandeerd, mede door een bijstandsuitkering, woonkostentoeslag en budgetbeheer door de gemeente. Bij de belangenafweging wogen de belangen van verzoekers om woonruimte te behouden en hun schulden op te lossen zwaarder dan het belang van verhuurder bij betaling van de vordering.
De voorlopige voorziening werd daarom toegewezen voor zes maanden, met de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan. De rechtbank wees het verzoek om verhuurder te veroordelen in de proceskosten af, omdat verhuurder haar rechten uitoefende zonder misbruik of onrechtmatig handelen.
De voorziening geldt totdat de WSNP-verzoeken zijn afgehandeld of ingetrokken, met een verslag van de schuldhulpverlener uiterlijk vier weken voor het vervallen van de voorziening.