ECLI:NL:RBDHA:2024:19423
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit over ingangsdatum asielvergunning wegens te lang tijdsverloop tussen asielwens en aanvraag
Eiseres, van Syrische nationaliteit, betwist de ingangsdatum van haar asielvergunning die door de minister is vastgesteld op de datum van ondertekening van de asielaanvraag, 22 oktober 2022, terwijl zij zich op 13 juni 2022 had gemeld en een loopbrief ontving.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht stelt dat uit de Dublinverordening en de Procedurerichtlijn niet volgt dat de aanmelding met de loopbrief de beslistermijnen start en dat het kenbaar maken van de asielwens niet gelijkstaat aan het indienen van een formele aanvraag.
Toch stelt de rechtbank vast dat het tijdsverloop van ruim vier maanden tussen het kenbaar maken van de asielwens en het indienen van de aanvraag niet voldoet aan de eis van artikel 6, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, die voorschrijft dat de asielzoeker zo spoedig mogelijk in de gelegenheid moet worden gesteld een formele aanvraag in te dienen.
De minister heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld die dit lange tijdsverloop rechtvaardigen. Daarom is het besluit onvoldoende gemotiveerd en in strijd met de wet. De rechtbank vernietigt het besluit en draagt de minister op binnen drie weken een nieuw besluit te nemen, waarbij moet worden gemotiveerd of en waarom eiseres zo spoedig mogelijk de aanvraag kon indienen.
De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiseres van €875,00.
Uitkomst: Het besluit over de ingangsdatum van de asielvergunning wordt vernietigd wegens strijd met artikel 6, tweede lid, van de Procedurerichtlijn en de minister moet binnen drie weken een nieuw besluit nemen.