ECLI:NL:RBDHA:2024:19569

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 november 2024
Publicatiedatum
26 november 2024
Zaaknummer
NL24.34382
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning proceskostenvergoeding wegens niet tijdig beslissen asielaanvraag

Verzoekster diende op 3 september 2024 een beroep in tegen het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag, omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn van zestien weken had beslist na de uitspraak van 16 januari 2024.

Op 11 oktober 2024 nam de minister alsnog een besluit op de aanvraag, waarna verzoekster haar beroep introk en tegelijkertijd vergoeding van haar proceskosten vorderde. De minister gaf aan bereid te zijn deze kosten te vergoeden.

De rechtbank oordeelde dat de minister aan het beroep was tegemoetgekomen door alsnog te beslissen en wees het verzoek om proceskostenvergoeding toe. Gezien de lichte aard van de zaak en het inschakelen van professionele juridische hulp werd een vergoeding van € 437,50 toegekend, gebaseerd op een wegingsfactor van 0,5 en het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan verzoekster wegens niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.34382
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster V-nummer: [V nummer] (gemachtigde: mr. D. van Elp)

en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,verweerder

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Verzoekster heeft op 3 september 2024 een beroep tegen niet tijdig beslissen ingediend, omdat verweerder na de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 januari 20241 niet binnen zestien weken heeft beslist op de asielaanvraag van verzoekster.
Op 11 oktober 2024 heeft verweerder alsnog een besluit genomen op de aanvraag.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Verweerder heeft op 7 november 2024 gereageerd op het verzoek en aangegeven bereid te zijn de proceskosten van verzoekster te vergoeden.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster door alsnog een besluit op de aanvraag te nemen.
4. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat verzoekster een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een verzoek in te dienen. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5, omdat deze zaak van licht gewicht is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in dit geval sprake is van een verzoek tot proceskostenveroordeling, waarbij het – al dan niet in geld uit te drukken – belang beperkt is en de aard van de zaak eenvoudig is. Dat geeft aanleiding om ten aanzien van het in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb opgenomen gewicht van de zaak één categorie lager te hanteren dan ‘gemiddeld’. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 437,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van
€ 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
t