Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2024:1977

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 februari 2024
Publicatiedatum
19 februari 2024
Zaaknummer
C/09/655575 / FA RK 23-7601 en C/09/656580 / FA RK 23-8129
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 1:267 lid 2 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 1:275 lid 1 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag van beide ouders en benoeming voogd voor minderjarige

De rechtbank Den Haag heeft op 16 februari 2024 een beschikking gegeven over het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van het gezag van de moeder en de vraag of ook het gezag van de vader moet worden beëindigd. De minderjarige verblijft sinds 2019 bij pleegouders en de ondertoezichtstelling is verlengd tot december 2024.

De Raad verzocht eerst het gezag van de moeder te beëindigen vanwege onvoldoende invulling van haar ouderrol en het niet nakomen van afspraken, terwijl de vader zich meewerkend opstelt. De gecertificeerde instelling vond beëindiging van het gezag van beide ouders noodzakelijk, omdat de vader een grotere wens heeft dan het kind aankan en onvoldoende berusting toont.

De moeder betwistte het verzoek en gaf aan door omstandigheden beperkt contact te kunnen onderhouden, terwijl de vader zijn gezag wilde behouden en openstond voor gedeelde zorg binnen de mogelijkheden van het kind. De rechtbank oordeelde dat de moeder onvoldoende in staat is het gezag te dragen en dat het belang van het kind bij duidelijkheid en continuïteit zwaarder weegt dan het belang van de ouders.

Daarom werd het gezag van beide ouders beëindigd en werd de gecertificeerde instelling benoemd tot voogd. De juridische ouder-kindrelatie blijft bestaan en het contact tussen ouders en kind moet worden bevorderd. Deze beslissing is een proportionele inmenging in het privéleven van de ouders en het kind, in lijn met artikel 8 EVRM Pro.

Uitkomst: Ouderlijk gezag van moeder en vader wordt beëindigd en een gecertificeerde instelling benoemd tot voogd over de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummers: C/09/655575 / FA RK 23-7601 en C/09/656580 / FA RK 23-8129
Datum uitspraak: 16 februari 2024
Beschikking van de meervoudige kamer over gezag en voogdij
in de zaken van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen de Raad,
over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen de moeder,
ingeschreven in [plaatsnaam] ,
bijgestaan door mr. A.B. Baumgarten te Den Haag,
[vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
bijgestaan door mr. S.O. Zengin te Den Haag,
[pleegouder 1]en
[pleegouder 2],
hierna te noemen de pleegouders,
[gecertificeerde instelling],
hierna te noemen de gecertificeerde instelling.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Op 4 oktober 2023 heeft de rechtbank het verzoekschrift met bijlagen, waaronder het rapport van 3 oktober 2023, ontvangen.
1.2.
Op 6 november 2023 heeft de rechtbank een brief van de Raad ontvangen, met daarbij een e-mail van de gecertificeerde instelling van 1 november 2023 en het voornoemde rapport van 3 oktober 2023. In deze brief heeft de Raad op verzoek van de gecertificeerde instelling een oordeel van de rechtbank gevraagd.
1.3.
De mondelinge behandeling van het verzoek en de vraag om een oordeel heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 26 januari 2024. Daarbij waren aanwezig:
- [naam 1] namens de Raad;
  • de moeder, via een verbinding via beeldbellen, met haar advocaat (in de zittingszaal);
  • de vader met zijn advocaat;
  • de pleegmoeder namens de pleegouders;
  • [naam 2] en [naam 3] namens de gecertificeerde instelling.

2.De feiten

2.1.
Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] verblijft bij de pleegouders sinds februari 2019.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 november 2023 de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd tot 2 december 2024.

3.De verzoeken

3.1.
De Raad heeft verzocht het gezag van de moeder te beëindigen, waardoor voortaan het gezag alleen door de vader zou worden uitgeoefend.
3.2.
Op verzoek van de gecertificeerde instelling heeft de Raad daarna aan de rechtbank gevraagd te beoordelen of het noodzakelijk is dat het gezag van de vader ook wordt beëindigd.

4.De standpunten

4.1.
De Raad vindt dat [minderjarige] in het pleeggezin moet blijven wonen en opgroeien. Zij woont daar nu vijf jaar en ontwikkelt zich naar omstandigheden goed, maar heeft veel zorg en aandacht nodig die de ouders haar niet kunnen bieden. In de afgelopen jaren is het niet aan de orde geweest dat [minderjarige] weer bij de moeder of de vader kon gaan wonen. De aanvaardbare termijn daarvoor is nu (ruim) verstreken. Daarnaast geeft de moeder onvoldoende invulling aan haar rol als ouder met gezag. Zij komt afspraken onvoldoende na, stelt haar eigen of andere belangen boven die van [minderjarige] en ziet niet in dat dit beschadigend is voor [minderjarige] . De moeder sluit al jaren niet meer fysiek aan bij netwerkoverleggen en is sinds november 2022 niet meer fysiek, maar enkel via videobellen, naar de contactmomenten met [minderjarige] gekomen. De moeder geeft telkens redenen of stelt voorwaarden waardoor zij niet kan komen. Bij de vader is dat anders. Hij stelt zich meewerkend op en zet zich binnen zijn mogelijkheden in. Hij volgt adviezen op en kan daarom steeds beter bij [minderjarige] aansluiten. Hoewel de vader de wens houdt om zelf voor [minderjarige] te zorgen ziet de Raad, anders dan bij de moeder, voor de vader wel mogelijkheden om het gezag te behouden mits hij erin berust dat [minderjarige] in het pleeggezin opgroeit. Het onderlinge contact tussen de vader en het pleeggezin is goed, waardoor op termijn zou kunnen worden toegewerkt naar een vrijwillige samenwerking. In het kader van de ondertoezichtstelling kan worden uitgezocht of dat tot de mogelijkheden behoort.
4.2.
De gecertificeerde instelling vindt dat het gezag van beide ouders moet worden beëindigd. Voor wat betreft de moeder sluit de gecertificeerde instelling aan bij het door de Raad ingenomen standpunt. Met betrekking tot het gezag van de vader vindt de gecertificeerde instelling dat de vader een grotere wens heeft dan [minderjarige] aankan. Al ruim drie jaar wordt gewerkt aan acceptatie van de plaatsing in het pleeggezin, maar de vader houdt de wens om meer contact met [minderjarige] te hebben. Daarnaast houdt de vader de wens om op termijn (deels) voor [minderjarige] te zorgen. De verwachting is niet dat zijn gedachten daarover plaats zullen maken voor intrinsieke berusting. De beslissing om het gezag van de vader te beëindigen zou kunnen bijdragen aan het acceptatieproces van de vader en zou daarmee in het belang van [minderjarige] zijn. Deze beslissing verandert niets aan de samenwerking en het belang van goed en zoveel mogelijk contact tussen de vader en [minderjarige] .
4.3.
De moeder wil haar gezag behouden. Zij betwist dat zij beslissingen tegenwerkt of onvoldoende bereikbaar is. De moeder ervaart dat er niet naar haar wordt geluisterd. Zij heeft vijf kinderen om voor te zorgen en kampt met gezondheidsklachten en stress. Zij kan om die redenen, vanwege de afstand, beperkte financiële middelen en het niet hebben van een oppas voor de andere kinderen niet naar [minderjarige] toekomen. Zij wil dat wel heel graag. De moeder betwist ook dat zij onvoldoende bereikbaar is of beslissingen belemmert. Zij wil alleen graag weten waar een gevraagde beslissing over gaat en de tijd hebben om een en ander te lezen voordat zij iets tekent. Met verwijzing naar jurisprudentie [1] daarover stelt de moeder zich op het standpunt dat geen sprake is van de situatie dat haar handelen dermate belastend is dat daardoor een onveilige of beschadigende opvoedsituatie ontstaat, zodat het niet noodzakelijk is om het gezamenlijk gezag, waarbij de vader dus zijn gezag behoudt, te beëindigen.
4.4.
De vader wil zijn gezag behouden. Hij accepteert dat [minderjarige] in het pleeggezin woont en heeft dat al vaak aangegeven. Hij is zich ervan bewust dat hij [minderjarige] niet zal opvoeden. Hij staat er wel voor open om op termijn de zorg met het pleeggezin te delen, maar volgt daarin wat [minderjarige] aankan. Hij hoopt als vader altijd op zoveel mogelijk contact, zoals een keer logeren, maar hij legt zich neer bij het meest haalbare. De vader heeft ook laten zien dat hij in staat is gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen, dat is altijd goed gegaan. Hij stelt dan ook, in lijn met jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) [2] , dat behoud van zijn gezag, en daarmee voortzetting van zijn juridische familieband met [minderjarige] , niet schadelijk is.
4.5.
De pleegmoeder heeft verteld dat het met [minderjarige] steeds beter gaat. Als het druk is of de spanning oploopt, reageert [minderjarige] daar wel sterk op. Ze heeft dan bijvoorbeeld moeite met eten. Het contact tussen [minderjarige] en de vader verloopt goed, maar soms is het teveel voor [minderjarige] , bijvoorbeeld na een drukke week met school en therapie. De pleegmoeder ziet dat de vader signalen oppikt, maar het is voor [minderjarige] moeilijk om aan te geven wat zij wel of niet aankan. Daarom is het fijn dat de bezoeken begeleid zijn.

5.De beoordeling van de rechtbank

Ten aanzien van het gezag van de moeder

5.1.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien (a.) een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of (b.) de ouder het gezag misbruikt.
5.2.
Beëindiging van het ouderlijk gezag is een maatregel die ingrijpt in het privé- en gezinsleven van zowel de ouder waarvan het gezag wordt beëindigd als de minderjarige waarover het gezag wordt uitgeoefend. Daarbij is van belang dat artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) onder meer vereist dat de belangen van het kind en die van de ouder tegen elkaar worden afgewogen. Ten aanzien van het belang van het kind volgt uit artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) dat die belangen voorop staan bij het nemen van een beslissing over het kind.
Op grond van artikel 8 EVRM Pro geldt dat indien het doel van – in dit geval – het beëindigen van gezag met een lichtere maatregel kan worden bereikt, deze verkozen dient te worden boven de zwaardere maatregel. Daarnaast dient de inmenging in het privé- en gezinsleven die het gevolg is van deze maatregel, in een redelijke verhouding te staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd (subsidiariteit en proportionaliteit).
5.3.
De rechtbank is in dit geval van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW is voldaan en dat beëindiging van het gezag van de moeder een gerechtvaardigde en proportionele inmenging vormt in het privé- en gezinsleven, zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
5.4.
Uit het onderzoek van de Raad en het verloop van de ondertoezichtstelling volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de moeder onvoldoende in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen. De aanvaardbare termijn daarvoor is verstreken en het is voor [minderjarige] van belang dat voor alle betrokkenen duidelijk is dat zij in het pleeggezin zal opgroeien, waar zij al bijna haar hele leven woont. Daarnaast is overtuigend gemotiveerd dat de moeder onvoldoende in staat is de belangen van [minderjarige] voorop te stellen en dat zij haar verantwoordelijkheden als gezaghebbende ouder niet neemt. De rechtbank is ervan geschrokken dat de moeder [minderjarige] al zo lang niet heeft gezien, terwijl [minderjarige] wel naar de moeder vraagt. Het is dan ook pijnlijk dat de pleegmoeder een moederdagcadeau van [minderjarige] naar de zitting heeft meegenomen en dat weer niet aan de moeder heeft kunnen geven, omdat de moeder niet naar de rechtbank is gekomen. De rechtbank heeft begrip voor de situatie van de moeder en alle omstandigheden die daarbij komen kijken, maar ziet ook duidelijk een patroon waarbij de moeder de schuld van gebeurtenissen buiten zichzelf legt. Zij lijkt haar eigen aandeel in de situatie te miskennen en verzandt in bezwaren en verwijten. Anders dan de moeder heeft de rechtbank niet de indruk dat de pleegouders en de gecertificeerde instelling de moeder niet tegemoet willen komen. Zij benadrukken het belang van goed contact en hun samenwerking met de vader verloopt wel goed. Voor de rechtbank staan de belangen van [minderjarige] voorop. Zij heeft er belang bij dat belangrijke beslissingen over haar snel kunnen worden genomen door degene(n) die betrokken zijn bij haar leven. De rechtbank is van oordeel dat dat belang zwaarder weegt dan het belang van de moeder om haar gezag te behouden.
5.5.
Daarom zal de rechtbank het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder toewijzen. Deze beslissing neemt niet weg dat de moeder altijd de moeder van [minderjarige] blijft en dat zowel de moeder als [minderjarige] het recht hebben en houden om contact te hebben met elkaar. Alle betrokkenen zullen zich daarvoor in moeten blijven zetten, waarbij de belangen van [minderjarige] altijd leidend zijn.
Ten aanzien van het gezag van de vader
5.6.
Op grond van artikel 1:267, tweede lid, BW kan de gecertificeerde instelling aan de Raad verzoeken om het oordeel van de rechtbank te vragen of beëindiging van gezag noodzakelijk is, als de Raad niet is overgegaan tot een verzoek daartoe. Als de rechtbank van oordeel is dat beëindiging van het gezag noodzakelijk is, dan kan de rechtbank het gezag ambtshalve beëindigen. De rechtbank overweegt naar aanleiding daarvan als volgt.
5.7.
De vraag of de vader in staat is binnen aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen moet naar het oordeel van de rechtbank ontkennend worden beantwoord. Voor de rechtbank staat vast dat die aanvaardbare termijn is verstreken en dat [minderjarige] bij de pleegouders zal opgroeien, zoals reeds overwogen. De vader heeft verklaard erin te berusten dat hij geen opvoedende rol in het leven van [minderjarige] zal vervullen, hoe moeilijk dat ook is. De gecertificeerde instelling twijfelt of die berusting ertoe leidt dat het toekomstperspectief van [minderjarige] in het pleeggezin nooit meer ter discussie zal staan en of die berusting voor de nodige duidelijkheid zal zorgen. Mede gelet op het standpunt van de vader ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of er feiten en omstandigheden zijn die maken dat de belangen van [minderjarige] worden geschaad als de vader het gezag behoudt.
5.8.
De rechtbank kijkt bij de beantwoording van die vraag naar de feiten en omstandigheden van dit moment en naar voorzienbare ontwikkelingen. Op toekomstige omstandigheden kan niet vooruit worden gelopen. Daarbij is bovenal van belang wat het beste is voor [minderjarige] . De rechtbank heeft gehoord en gelezen dat de vader een liefdevolle en betrokken vader is. Hij is bereikbaar en geeft toestemming als dat gevraagd wordt. Ook ziet hij tot op zekere hoogte in dat het voor [minderjarige] beter is om in het pleeggezin te wonen. De vader heeft daarover tijdens de zitting een veel genuanceerder standpunt ingenomen dan tijdens het onderzoek van de Raad. Daaruit maakt de rechtbank op dat de vader zich hier wisselend over uitlaat en dat het voor hem een moeilijke situatie is om te accepteren. Het is invoelbaar dat hij als vader de wens heeft om zelf voor zijn kind te zorgen. De rechtbank heeft ook gehoord en gelezen dat er veel van [minderjarige] gevraagd wordt. Veranderingen, onduidelijkheid en drukke, volle dagen vragen veel van ieder kind, maar in het bijzonder van [minderjarige] . Mede om die reden is de frequentie van het contact tussen de vader en [minderjarige] verminderd, waar de vader het niet mee eens was. De vader ziet wel dat het contact soms veel van [minderjarige] vraagt. Naar het oordeel van de rechtbank lopen de verwachtingen van de vader en de mogelijkheden van [minderjarige] te ver uiteen. Dat maakt ook dat de rechtbank geen mogelijkheden ziet voor een samenwerking op geheel vrijwillige basis binnen afzienbare termijn. Uit het systeem van de wet volgt dat als thuisplaatsing niet meer aan de orde is, de maatregelen tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet meer geëigend zijn. Die maatregelen zijn tijdelijk en erop gericht de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding weer bij de ouder met gezag te leggen, hetgeen hier niet aan de orde is. Behoud van gezag zou in die zin ook valse verwachtingen scheppen. Naar het oordeel van de rechtbank wegen de belangen van [minderjarige] bij duidelijkheid, zekerheid en continuïteit zwaarder dan de wens van de vader om het gezag te behouden. Beëindiging van het gezag vormt daarmee een gerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank is van oordeel dat de genoemde belangen van [minderjarige] worden geschaad als de vader het gezag behoudt.
5.9.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het noodzakelijk is om het gezag van de vader te beëindigen. De rechtbank zal die beslissing ambtshalve uitspreken. De rechtbank benadrukt daarbij dat gezag gaat over de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van een kind. Beëindiging van dat gezag betekent niet dat de ouder-kind band ofwel juridische familieband geheel doorbroken wordt. Het is invoelbaar dat een ouder van wie het gezag wordt beëindigd dat zo ervaart, maar de rechtbank hecht eraan te benadrukken dat de vader, evenals de moeder, de juridische ouder van [minderjarige] blijft en dat zij daaraan rechten en plichten blijven ontlenen. Zowel de vader als [minderjarige] hebben en houden het recht om contact met elkaar te hebben en de voogd dient zich ervoor in te spannen dat die familieband niet alleen juridisch maar ook emotioneel behouden blijft. Het is immers voor [minderjarige] belangrijk om te weten wie haar ouders zijn en om hen te kennen. Dat is haar recht.
5.10.
Omdat de beëindiging van het gezag van de vader en de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over haar te benoemen. In dat verband overweegt de rechtbank dat de voogdij (nog) niet belegd kan worden bij de pleegouders. De gecertificeerde instelling speelt nog een belangrijke rol in de onderlinge samenwerking, met name met de moeder, en kan als neutrale partij het beste de belangen van [minderjarige] behartigen. De gecertificeerde instelling kan ook toezien op (de uitbreiding of het herstel van) het contact en toewerken naar een situatie waarbij alle mensen die belangrijk zijn voor [minderjarige] – de moeder, de vader en de pleegouders – een rol vervullen in haar leven.
5.11.
De gecertificeerde instelling heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen. De rechtbank zal daarom als volgt beslissen.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van:
[moeder], geboren op 1 november 1991 in Delft,
en
[vader], geboren op 5 februari 1984 in
’s-Gravenhage,
over de minderjarige
[minderjarige], geboren [geboortedag] 2018 in
[geboorteplaats] ,
6.2.
benoemt tot voogd over voornoemde minderjarige:
[gecertificeerde instelling];
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
verzoekt de griffier om van deze beslissing een aantekening te maken in het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven op 16 februari 2024 door mr. C.L. Strop, mr. B. Martinez-Hammer en mr. T.M.M.P. Westbroek, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. S.T. Viezee als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.

Voetnoten

2.ECLI:NL:GHSHE:2022:76 en EHRM 6 oktober 2015, 58455/13 (N.P./Moldavië).