ECLI:NL:RBDHA:2024:19888
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid vrijheidsontnemende maatregel in grensdetentie asielprocedure bevestigd
Eiser, met Centraal-Afrikaanse nationaliteit, diende op 12 oktober 2024 een asielaanvraag in bij aankomst op Schiphol. Tegelijkertijd werd hem een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat de lange duur van de maatregel onredelijk en in strijd met artikel 9 van Pro de Opvangrichtlijn en artikel 5 EVRM Pro was, mede vanwege de vertraging in de asielprocedure.
De rechtbank oordeelde dat hoewel de behandeling van het asielberoep pas op 6 januari 2025 gepland staat, dit geen reden is om de maatregel als onrechtmatig te beschouwen. De vertraging is het gevolg van een gerechtelijke procedure en niet van een administratieve vertraging zoals bedoeld in de Opvangrichtlijn. Het grensbewakingsbelang rechtvaardigt de vrijheidsontnemende maatregel, ook gezien het feit dat een minder dwingende maatregel zou leiden tot toegang tot Nederland.
Eiser voerde aan dat vanwege zijn HIV-status en de zwaarte van de detentie een lichter middel toegepast had moeten worden. De rechtbank stelde dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom een vrijheidsontnemende maatregel noodzakelijk is en dat medische voorzieningen beschikbaar zijn. Er is geen aanleiding om het grensbewakingsbelang prijs te geven.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Het beroep betreffende de kennisgeving werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de rechtmatigheid reeds in het eerste beroep was beoordeeld. De uitspraak is gedaan door rechter W.B. Klaus op 18 november 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen; het beroep betreffende de kennisgeving wordt niet-ontvankelijk verklaard.