ECLI:NL:RVS:2012:BW6799
Raad van State
- Hoger beroep
- R. van der Spoel
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Toepassing van vrijheidsontnemende maatregel bij asielzoeker met geweigerde toegang op Schiphol
De zaak betreft een vreemdeling die op 14 mei 2011 op Schiphol te kennen gaf asiel te willen aanvragen, maar aan wie op grond van de Vreemdelingenwet 2000 de toegang tot Nederland werd geweigerd en die een vrijheidsontnemende maatregel werd opgelegd. De rechtbank had de maatregel opgeheven omdat de minister onvoldoende had onderbouwd waarom niet met een minder dwingende maatregel kon worden volstaan.
De Raad van State stelt vast dat de Opvangrichtlijn van toepassing is op de vreemdeling vanaf het moment dat zij haar asielverzoek kenbaar maakte, ook al is haar toegang geweigerd. Dit betekent dat zij rechtmatig verblijf heeft en zich op het grondgebied bevindt in de zin van de richtlijn. De Afdeling oordeelt echter dat dit niet betekent dat de minister geen vrijheidsontnemende maatregel mag opleggen, vooral omdat het grensbewakingsbelang zwaar weegt.
Het beleid van de minister, neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 2000, schrijft voor dat in beginsel een vrijheidsontnemende maatregel moet worden opgelegd aan asielzoekers aan wie de toegang is geweigerd, tenzij bijzondere individuele omstandigheden dit onredelijk maken. De Afdeling acht het beleid richtlijnconform als het ruimte biedt om in individuele gevallen af te zien van vrijheidsontneming.
De Raad van State verwerpt het beroep van de vreemdeling dat de maatregel in strijd is met artikel 5 EVRM Pro vanwege de duur en omstandigheden van de vrijheidsontneming. Ook het beroep op de Terugkeerrichtlijn faalt omdat de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft. Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.