ECLI:NL:RBDHA:2024:19890

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 november 2024
Publicatiedatum
29 november 2024
Zaaknummer
NL24.38113
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-in behandeling neming asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat op grond van de Dublinverordening Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek.

Eiser stelde dat overdracht aan Duitsland zou leiden tot schending van artikel 3 EVRM Pro vanwege bedreigingen door leden van de AYE-cult, maar bracht geen bijzondere individuele omstandigheden aan die een overdracht van onevenredige hardheid maken.

De rechtbank oordeelde dat Duitsland, als partij bij het EVRM, verantwoordelijk is en dat eiser daar adequate bescherming kan zoeken. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen omdat geen noodzaak meer bestond.

De uitspraak werd mondeling gedaan op 25 november 2024 door de voorzieningenrechter M. Kraefft in aanwezigheid van de griffier. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.38113 (beroep) en NL24.38114 (voorlopige voorziening)
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. R. Akkaya),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Deniz).

Inleiding

In het besluit van 1 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag
van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland hiervoor verantwoordelijk
is.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht
om een voorlopige voorziening te treffen.
De zaken zijn samen op 25 november 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde
zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door
zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank, evenals de
voorzieningenrechter, onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de
Vreemdelingenwet 2000. Daarin is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt
genomen indien op grond van de Dublinverordening [1] is vastgesteld dat een andere lidstaat
hiervoor verantwoordelijk is. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om
terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
2. Eiser heeft aangevoerd dat zijn overdracht aan Duitsland zal leiden tot schending
van artikel 3 van Pro het EVRM, [2] omdat de Duitse autoriteiten niet in staat zullen zijn hem te
beschermen tegen de wraak van de AYE cult. Eiser wordt door AYE beschuldigd van fraude en is daarom met de dood bedreigd. Eiser kwam cultleden tegen in Duitsland, waarna hij besloot te vertrekken.
3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft
gesteld dat dit niet wegneemt dat Duitsland verantwoordelijk is voor de inhoudelijke
behandeling van eisers asielverzoek.
Duitsland is net als Nederland partij bij het EVRM. Bij voorkomende problemen kan eiser
de Duitse autoriteiten of daarvoor geschikte instanties benaderen. Niet is gebleken dat zij
eiser niet kunnen of willen helpen. Eiser heeft ook niet onderbouwd dat hij niet tijdig hulp
zal krijgen van de Duitse autoriteiten als hij een hulpoproep zou moeten doen.
4. Eiser heeft geen bijzondere individuele omstandigheden naar voren gebracht die
maken dat een overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Omdat de rechtbank op het beroep van eiser beslist en dit ongegrond verklaart, is
een voorlopige voorziening niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om
die reden af.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat gelet op de uitkomst in de beide zaken
geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2024 door mr. M. Kraefft,
(voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/213
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden