ECLI:NL:RBDHA:2024:20024
Rechtbank Den Haag
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring beklag tegen beslag op geldbedrag na niet-ontvankelijkheid officier van justitie
De klager verzocht om teruggave van een geldbedrag van € 25.332,60 waarop conservatoir beslag rustte, nadat de strafzaak tegen hem was geëindigd in niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Hoewel de klager een afstandsverklaring had ondertekend, stelde hij dat hij niet op de hoogte was van de consequenties en dacht slechts een ontvangstbewijs te tekenen.
De officier van justitie stelde dat het beklag niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat het geldbedrag aan benadeelden was gegeven en het beslag daardoor was geëindigd. De rechtbank oordeelde echter dat niet kon worden aangenomen dat de klager bekend was met de door hem prijsgegeven aanspraken en dat uit zijn verklaringen en gedragingen niet duidelijk bleek dat hij afstand wilde doen van het geld.
De rechtbank nam in aanmerking dat het onlogisch was dat de klager afstand zou doen van het geldbedrag dat hij kort tevoren had geleend, en dat hij zich in een stressvolle situatie bevond waarbij hij dacht een ontvangstbewijs te tekenen. Hierdoor was het beslag niet geëindigd en kon de klager ontvankelijk worden verklaard in het beklag.
Omdat de strafzaak was geëindigd in niet-ontvankelijkheid en er geen strafvorderlijk belang meer was, gelastte de rechtbank de teruggave van het geldbedrag aan de klager. Het beklag werd gegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beklag gegrond en gelast de teruggave van het geldbedrag van € 25.332,60 aan de klager.