ECLI:NL:RBDHA:2024:20170
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-overdracht aan Frankrijk
Eiser, met Turkse nationaliteit, verzet zich tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn volgens de Dublin-verordening.
Eiser voert aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege ernstige tekortkomingen in de opvang- en medische voorzieningen in Frankrijk, zoals blijkt uit het AIDA-rapport van mei 2024. Hij stelt dat hij tijdens zijn verblijf in Frankrijk geen opvang ontving en dat zijn mentale gezondheid is geschaad, wat een schending van artikel 4 van Pro het Handvest inhoudt.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, aangezien eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een reëel risico is op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Het persoonlijke relaas van eiser is onvoldoende onderbouwd en hij heeft niet aangetoond dat hij geen toegang heeft tot hulp van Franse autoriteiten.
Ook is er geen reden om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro. Het beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wegens Dublin-overdracht aan Frankrijk wordt kennelijk ongegrond verklaard.