ECLI:NL:RBDHA:2024:20191
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
De rechtbank Den Haag heeft op 26 november 2024 uitspraak gedaan in het bestuursrechtelijke beroep van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening en stelde dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser voerde aan dat zijn zienswijze onvoldoende was meegewogen en dat er sprake zou zijn van structurele tekortkomingen in het Oostenrijkse asiel- en opvangsysteem, waardoor het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet zou gelden. Tevens stelde eiser dat er een risico op indirect refoulement bestaat.
De rechtbank oordeelde dat de minister gemotiveerd op de zienswijze is ingegaan en dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd waarom deze motivering onjuist zou zijn. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt ten aanzien van Oostenrijk, zoals bevestigd door eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en het Hof van Justitie van de Europese Unie. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van structurele tekortkomingen die een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
De rechtbank mag op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toetsen of er een risico op indirect refoulement bestaat. Het beroep is daarom ongegrond verklaard, het besluit blijft in stand en eiser kan worden overgedragen aan Oostenrijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.