Eiser heeft op 15 mei 2023 een opvolgende aanvraag ingediend voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder, de minister van Asiel en Migratie, heeft niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden beslist, welke termijn met negen maanden was verlengd. Eiser stelde verweerder op 30 augustus 2024 in gebreke en diende vervolgens een beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat verweerder niet binnen de verlengde beslistermijn heeft beslist. De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen acht weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit moet nemen, met een mogelijkheid tot nader onderzoek waardoor de termijn kan worden verlengd tot zestien weken. Tevens legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op, met een maximum van €7.500, voor elke dag dat verweerder de termijn overschrijdt.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot het betalen van proceskosten aan eiser, vastgesteld op €437,50, vanwege het inschakelen van een professionele gemachtigde voor het indienen van het beroepschrift. De uitspraak is gedaan door rechter S.G.M. van Veen en griffier J.B. Thépass op 3 december 2024.