De zaak betreft een verzoek van de vader tot vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling, gegeven op 20 september 2024, die betrekking heeft op zijn communicatie met de instelling en de naleving van de omgangsregeling met zijn minderjarige kind.
De vader betoogt dat de schriftelijke aanwijzing onrechtmatig is omdat deze niet op de verzorging en opvoeding ziet, maar op communicatie, en dat de omgangsregeling via andere rechtswegen moet worden afgedwongen. De gecertificeerde instelling en de moeder verzetten zich hiertegen en benadrukken het belang van duidelijkheid en respectvolle communicatie voor het welzijn van het kind.
De kinderrechter oordeelt dat de schriftelijke aanwijzing wel degelijk ziet op de verzorging en opvoeding, dat de bevoegdheid van de gecertificeerde instelling om deze aanwijzing te geven correct is toegepast, en dat de aanwijzing voldoende concreet is. De uitleg van de omgangsregeling, met name de betekenis van 'uit school', wordt bevestigd zoals vastgesteld in de beschikking van 28 juni 2024.
De kinderrechter bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing en legt een dwangsom van €250 per overtreding op, tot een maximum van €2.500, om naleving te waarborgen. Het voorwaardelijke verzoek van de moeder tot wijziging van de omgangsregeling wordt niet inhoudelijk behandeld. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2024.