ECLI:NL:RBDHA:2024:20282
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning familieleven op grond van artikel 8 EVRM wegens ontbreken bijkomende afhankelijkheid
Eisers, die sinds 2002 in Nederland verblijven en meerdere asielaanvragen hebben gedaan, vroegen in 2020 een verblijfsvergunning aan op grond van familieleven volgens artikel 8 EVRM Pro. De minister wees deze aanvraag en het daaropvolgende bezwaar af omdat geen sprake was van beschermenswaardig familieleven met hun meerderjarige kinderen en kleinkinderen, noch van een medische situatie die uitstel van vertrek rechtvaardigde.
Tijdens de zitting in november 2024 betoogden eisers dat zij medisch en financieel afhankelijk zijn van hun kinderen en dat hun medische toestand terugkeer naar Azerbeidzjan onmogelijk maakt. De minister liet medische adviezen van het Bureau Medische Advisering (BMA) inwinnen, waaruit bleek dat eisers onder voorwaarden kunnen reizen en dat de noodzakelijke medische zorg in Azerbeidzjan beschikbaar is.
De rechtbank oordeelde dat de minister het besluit zorgvuldig had voorbereid, dat eisers onvoldoende hadden onderbouwd dat er sprake was van meer dan normale emotionele banden of bijkomende afhankelijkheid, en dat de belangenafweging terecht in het nadeel van eisers was uitgevallen. Ook werd geconcludeerd dat geen sprake was van onbillijkheid van overwegende aard die toepassing van de hardheidsclausule zou rechtvaardigen. Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wordt ongegrond verklaard.