De rechtbank Den Haag behandelde beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister had deze aanvragen afgewezen omdat Frankrijk volgens het Dublinverdrag verantwoordelijk zou zijn.
Na een tussenuitspraak waarbij de rechtbank het onderzoek heropende om advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) te verkrijgen, heeft de minister dit advies ingebracht. Het BMA concludeerde dat eiser een bipolaire stoornis heeft maar dat overdracht naar Frankrijk mogelijk is mits fysieke overdracht en begeleiding geregeld zijn.
Eisers voerden aan dat het BMA-advies onvolledig was en onvoldoende rekening hield met eerdere zorg in Frankrijk en de gevolgen daarvan. De rechtbank oordeelde echter dat het advies adequaat was en dat de minister op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mocht aannemen dat passende zorg in Frankrijk beschikbaar is.
De rechtbank vernietigde de bestreden besluiten wegens het eerdere gebrek, maar liet de rechtsgevolgen van deze besluiten in stand omdat het gebrek was hersteld. Tevens veroordeelde zij de minister in de proceskosten van eisers.