Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2024:20366

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 december 2024
Publicatiedatum
6 december 2024
Zaaknummer
AWB 24/20046
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • S. Ketelaars - Mast
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 72 lid 3 VwArt. 1:3 lid 1 AwbArt. 8:83 lid 4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen geplande datum asielgehoor

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de door de minister vastgestelde datum van het gehoor over zijn asielaanvraag, gepland op 10 december 2024, en verzocht om uitstel naar januari 2025. De minister handhaafde de datum en stelde dat de uitnodiging geen besluit is waartegen bezwaar mogelijk is.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het plannen van een datum voor het gehoor een voorbereidende handeling is en geen rechtens relevante handeling in de zin van de Vreemdelingenwet. Hierdoor is het niet mogelijk om zelfstandig rechtsmiddelen in te zetten tegen deze planning.

Het bezwaar heeft daarom waarschijnlijk geen kans van slagen en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. De minister hoeft het gehoor niet te verplaatsen en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de geplande datum van het asielgehoor wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/20046

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 december 2024 in de zaak tussen

[naam] , verzoeker

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , de minister
(gemachtigde: M. Lorier).

Inleiding

1. Op 29 november 2024 heeft de minister verzoeker bericht dat hij hem binnen twee weken wil horen over zijn asielaanvraag. Vervolgens heeft er een mailwisseling plaatsgevonden tussen gemachtigde van verzoeker en de minister over de mogelijkheid om het gehoor naar een latere datum te verplaatsen. Op 4 december 2024 is de uitnodiging horen met als datum 10 december 2024 verzonden naar verzoeker. Tegen de berichtgevingen dat het uitstel niet wordt gehonoreerd, heeft verzoeker op 3 december 2024 bezwaar gemaakt en hij heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De minister heeft op 5 december 2024 gereageerd op dit verzoek.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. Verzoeker voert aan dat de minister zonder overleg en eenzijdig heeft bepaald dat hij verzoeker wil horen op 10 december 2024 over zijn asielaanvraag. Gemachtigde van verzoeker heeft aangegeven dat deze datum agenda technisch onmogelijk voor hem is vanwege andere verplichtingen. Hij heeft de minister verzocht om uitstel van het gehoor naar de tweede week van januari 2025. Omdat hier geen gehoor aan is gegeven, stelt verzoeker dat hem de mogelijkheid wordt ontnomen om zich adequaat voor te bereiden op het gehoor en bijgestaan te worden door de gemachtigde van zijn keuze.
4. De minister stelt zich op het standpunt dat de connexiteit ontbreekt. De uitnodiging van 4 december 2024 is geen besluit in de zin van artikel 1:3 eerste Pro lid, Awb. Het is ook geen met een beschikking gelijk te stellen handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De uitnodiging tot horen is een processtap ten behoeve van de behandeling en beoordeling van de asielaanvraag, aldus de minister.
5. De rechtbank oordeelt dat voor een rechtsingang na een feitelijke handeling op grond van artikel 72, derde lid, Vw vereist is dat sprake is van een rechtens relevante handeling. Het plannen van een datum voor een gehoor is een voorbereidende handeling op rechtens relevante handelingen. Met de minister is de rechtbank van oordeel dat tegen het plannen van de datum van het gehoor geen zelfstandige rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Verzoeker kan eventueel rechtsmiddelen aanwenden tegen de beslissing op zijn aanvraag.
6. Gelet hierop heeft het bezwaar waarschijnlijk geen kans van slagen. Het verzoek om voorlopige voorziening komt in zoverre ook niet voor toewijzing in aanmerking.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de minister het gehoor dat gepland staat op 10 december 2024 niet hoeft te verplaatsen. Voor vergoeding van proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. Dijkstra, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 6 december 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid