Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Syrische nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 6 februari 2024 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië reeds verantwoordelijk was voor de behandeling, geconstateerd via Eurodac en bevestigd door een terugnameverzoek dat Kroatië op 25 maart 2024 accepteerde.
Eiser voerde aan dat het besluit prematuur was omdat Kroatië de procedure tot vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat nog niet had afgerond en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer op Kroatië van toepassing zou zijn vanwege mishandeling en pushbacks. De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 20 lid 5 Dublinverordening Pro Kroatië verplicht is tot terugname met het oog op afronding van de procedure, en dat overdracht zonder definitieve vaststelling van verantwoordelijkheid mogelijk is.
De rechtbank verwierp de stellingen van eiser dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet meer geldt, mede gelet op recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak. Ook werd onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiser als Dublinclaimant een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro bij overdracht.
Daarnaast zijn er geen fundamentele systeemfouten in de Kroatische opvangvoorzieningen vastgesteld en is het aan eiser om klachten over de naleving van verplichtingen in Kroatië te adresseren. De rechtbank concludeerde dat geen bijzondere individuele omstandigheden bestaan die overdracht zouden moeten verhinderen en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië wordt ongegrond verklaard.