Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
www.rechtspraak.nl
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Syrische nationaliteit, heeft sinds 31 juli 2024 internationale bescherming in Bulgarije en vroeg asiel aan in Nederland. Verweerder verklaarde de aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser zich onmiddellijk naar Bulgarije moet begeven. Eiser stelde dat de toepassing van het toetsingskader uit het arrest Ibrahim onjuist was en dat de Bulgaarse autoriteiten onverschillig zijn, wat zou leiden tot materiële deprivatie.
Eiser en zijn gemachtigde verschenen niet op de zitting en leverden geen bewijs aan dat zijn verblijfsvergunning in Bulgarije is of wordt ingetrokken. De rechtbank gaat daarom uit van het interstatelijk vertrouwensbeginsel dat Bulgarije zijn verdragsverplichtingen nakomt. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer te maken krijgt met een schending van artikel 4 van Pro het Handvest, mede gelet op de algemene omstandigheden in Bulgarije en zijn eigen situatie.
De rechtbank oordeelde dat de door eiser aangevoerde rapporten en NGO-ondersteuning geen aanleiding geven tot een ander oordeel. Ook de vermeende onverschilligheid van Nederlandse autoriteiten is niet relevant voor de beoordeling. Het beroep is ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.