ECLI:NL:RBDHA:2024:20402
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Relativiteitsvereiste verhindert vernietiging vergunningen Westerschelde
De minister van Infrastructuur en Waterstaat en de minister voor Natuur en Stikstof verleenden vergunningen aan een vergunninghouder voor het verspreiden van baggerspecie en het onderhoud van de vaargeul in de Westerschelde. Eiser, voormalig eigenaar van de Hedwigepolder en directeur van een bedrijf dat aandeelhouder is van de eigenaar van nabijgelegen percelen, maakte bezwaar tegen deze besluiten vanwege milieubelangen en mogelijke negatieve effecten op de percelen.
De rechtbank oordeelt dat eiser geen rechtstreeks belang heeft bij de bescherming van de percelen, omdat deze eigendom zijn van een rechtspersoon die zelf geen beroep heeft ingesteld. Het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69 Awb Pro staat daarom aan de inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden in de weg.
De rechtbank concludeert dat de beroepen ongegrond zijn en wijst de vorderingen af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De beroepen tegen de vergunningen worden ongegrond verklaard vanwege het relativiteitsvereiste.