ECLI:NL:RBDHA:2024:2041
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening mvv wegens ontbreken zwaarwegend spoedeisend belang
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Hij betoogde dat hij als jongvolwassene moet worden aangemerkt en dat de staatssecretaris ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij zelfstandig heeft gewoond en dat er geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat.
De staatssecretaris stelt dat verzoeker niet onder het jongvolwassenenbeleid valt en dat de bezwaarprocedure nog loopt, waarbij nader onderzoek zal plaatsvinden, inclusief een mogelijke hoorzitting in het kader van artikel 8 EVRM Pro.
De voorzieningenrechter overweegt dat het verzoek om te worden beschouwd als in het bezit van een mvv een verstrekkend karakter heeft en feitelijk geen voorlopig karakter. Daarnaast is de voorlopige voorzieningenprocedure niet bedoeld om de behandeling van het bezwaar te bespoedigen. De wettelijke beslistermijn is nog niet overschreden en er is geen aanleiding om aan te nemen dat de staatssecretaris deze termijn niet zal respecteren.
Verder is niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een zwaarwegend spoedeisend belang dat onmiddellijke toelating tot Nederland vereist. Ook bestaat geen sterke twijfel aan de rechtmatigheid van het primaire besluit, mede omdat de staatssecretaris een volledige heroverweging in bezwaar heeft toegezegd.
Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. De uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka op 15 februari 2024.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van zwaarwegend spoedeisend belang en geen sterke twijfel aan rechtmatigheid van het primaire besluit.