ECLI:NL:RBDHA:2024:20412
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf als gezinslid wegens onvoldoende bewijs identiteit en middelenvereiste
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met het verblijfsdoel verblijf als familie- of gezinslid van referente, zijn moeder. De minister wees de aanvraag af omdat eiser onvoldoende bewijs leverde van zijn identiteit, nationaliteit en familierechtelijke band met referente. Ook voldeed referente niet aan het middelenvereiste, omdat zij niet aantoonde volledig arbeidsongeschikt te zijn of blijvend niet te kunnen voldoen aan de arbeidsinschakelingsplicht.
De rechtbank behandelde het beroep op 3 december 2024 en concludeerde dat de overgelegde Eritrese doopakte onvoldoende was om identiteit en familierechtelijke band aan te tonen. Het aanvullende bewijs van inschrijving bij de UNHCR was onvoldoende onderbouwd en niet vertaald. De rechtbank verwierp het betoog van bewijsnood omdat eiser sinds de aanvraag meerdere kansen had gehad om stukken te overleggen of het ontbreken daarvan te onderbouwen.
Verder oordeelde de rechtbank dat de minister terecht het middelenvereiste tegenwerpt, omdat referente slechts tijdelijk ontheven was van de arbeidsinschakelingsplicht en actief werkt aan verbetering van haar situatie. Een DNA-onderzoek werd niet aangeboden omdat eiser onvoldoende indicaties leverde om dit te rechtvaardigen. De belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro behoefde geen bespreking omdat de gezinsband niet was aangetoond.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenvergoeding af. Eiser kan binnen vier weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs en niet voldoen aan het middelenvereiste.