Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf door de minister van Asiel en Migratie. De minister heeft niet tijdig op het bezwaarschrift beslist, waarna eiser beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank heeft het beroep behandeld zonder zitting en heeft het verzoek van eiser om vrijstelling van griffierecht toegewezen. Op grond van de Awb is het niet tijdig beslissen gelijk te stellen aan een besluit, en het beroep tegen het niet tijdig beslissen is gegrond verklaard omdat de minister na ingebrekestelling niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist.
De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na de uitspraak alsnog een besluit moet nemen op het bezwaar. Tevens wordt een dwangsom van € 100 per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 7.500. De reeds verbeurde dwangsom wordt vastgesteld op € 1.442. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser ter hoogte van € 437,50.