ECLI:NL:RBDHA:2024:20501
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende bewijs familierelatie en binding met verblijfplaats
Eiser, een Afghaanse nationaliteit hebbende jongvolwassene, heeft een visum kort verblijf aangevraagd voor familiebezoek in Nederland. De minister van Buitenlandse Zaken heeft deze aanvraag afgewezen omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het doel en de omstandigheden van het verblijf voldoen aan de vereisten. Tevens bestaat er twijfel over het voornemen van eiser om het Schengengebied tijdig te verlaten, mede omdat hij onvoldoende sociale en economische binding met Turkije, zijn verblijfplaats ten tijde van de aanvraag, heeft aangetoond.
De rechtbank heeft het beroep van eiser behandeld en geoordeeld dat de minister terecht het bezwaar ongegrond heeft verklaard. De rechtbank acht de enkele stelling van de referent dat bewijs van de familierelatie niet kan worden overlegd onvoldoende onderbouwd. Ook de door eiser gestelde binding met Turkije, bestaande uit studie en werk met een salaris van €1500 per maand, is niet met bewijsstukken zoals bankafschriften onderbouwd.
De rechtbank concludeert dat de minister het visum mocht weigeren omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond en er redelijke twijfel bestaat over het terugkeerperspectief. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor eiser geen visum krijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de visumaanvraag bevestigd.