ECLI:NL:RBDHA:2024:20559

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 december 2024
Publicatiedatum
10 december 2024
Zaaknummer
NL24.42683
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid opvolgend beroep tegen niet tijdig besluit asielaanvraag

Eiser stelde op 2 februari 2024 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. De rechtbank Rotterdam verklaarde dit beroep gegrond en stelde een termijn van zestien weken, dan wel acht weken indien eiser was gehoord, waarbinnen verweerder een besluit moest nemen. Tevens werd een dwangsom opgelegd voor overschrijding van deze termijn.

Op 31 oktober 2024 stelde eiser opnieuw beroep in tegen het uitblijven van een besluit. De rechtbank Den Haag oordeelde dat een nieuw beroep niet-ontvankelijk is zolang de eerste dwangsom nog niet is volgelopen en de beslistermijn nog niet verstreken was. Dit volgt uit vaste jurisprudentie en het beleid van de rechtbank.

De rechtbank stelde vast dat de beslistermijn tot 26 december 2024 liep en dat het tweede beroep dus te vroeg was ingesteld. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard en hoefde verweerder geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het opvolgend beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.42683

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers)
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 2 februari 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag.
Bij uitspraak van 4 september 2024 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, het beroep van 2 februari 2024 gegrond verklaard en daarbij verweerder opgedragen om binnen een termijn van zestien weken, dan wel binnen acht weken indien eiser inmiddels is gehoord over zijn asielmotieven, een besluit op de aanvraag te nemen (ECLI:NL:RBROT:2024:8516).
Op 31 oktober 2024 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de hierboven genoemde aanvraag.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer de wettelijke termijn voor het nemen van een besluit is verstreken, in beginsel een ingebrekestelling is vereist in het geval dat tegen het niet tijdig nemen van een besluit (voor de eerste keer) beroep wordt ingesteld bij de bestuursrechter. [1] Uit deze jurisprudentie volgt ook dat wanneer de bestuursrechter een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich niet aan deze termijn houdt, een nieuwe ingebrekestelling niet is vereist.
2. In haar uitspraak van 4 september 2024 heeft de rechtbank het eerste beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen zestien weken, dan wel binnen acht weken indien eiser is gehoord over zijn asielmotieven, na de dag van bekendmaking van de uitspraak alsnog een besluit bekend te maken. Ook heeft de rechtbank in die uitspraak bepaald dat verweerder aan eiser een dwangsom van
€ 100 moet betalen voor elke dag waarmee hij deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500.
3. Uit het beleid van de rechtbank volgt dat in het geval er een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt ingesteld voordat de maximale dwangsom is volgelopen, het (opvolgende) beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. [2] Het opleggen van een tweede dwangsom nog voordat de eerste dwangsom is volgelopen, is namelijk in strijd met het systeem van dit soort beroepen. Een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag doet daarmee af aan de rechtskracht van de eerste uitspraak. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen.
4.
Niet is gebleken dat eiser voor de uitspraak van 4 september 2024 is gehoord over zijn asielmotieven, waardoor een nadere beslistermijn van zestien weken van toepassing is. De rechtbank stelt vast dat verweerder tot 26 december 2024 de tijd had om een besluit te nemen. Eiser heeft op 31 oktober 2024 opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Dit betekent dat de beslistermijn ten tijde van het indienen van het beroep nog niet was verstreken. Het beroep van eiser tegen het uitblijven van een besluit op zijn asielaanvraag is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
5. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 4 december 2024 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van S.A. Sewratan, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:673.
2.Beleid ten aanzien van de beroepen niet tijdig in het vreemdelingenrecht, vastgesteld op 25 maart 2020 (gepubliceerd op rechtspraak.nl).