ECLI:NL:RBDHA:2024:20751

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 december 2024
Publicatiedatum
11 december 2024
Zaaknummer
24/4320
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 WAOArt. 57 lid 1 WAOArt. 120 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugvordering te veel ontvangen WAO-uitkering wegens eenmalige loonsverhoging

Eiseres ontvangt sinds 2001 een WAO-uitkering en werkt daarnaast. Het UWV heeft in februari 2024 de definitieve uitkering over 2023 berekend en vastgesteld dat eiseres een te hoog voorschot had ontvangen, met name door een eenmalige loonsverhoging in april 2023 op basis van de CAO. Dit leidde tot een terugvordering van €414,99 bruto.

Eiseres betoogt dat de loonsverhoging noodzakelijk was voor inflatiecorrectie en behoud van koopkracht, en dat het onredelijk is deze mee te rekenen bij de bepaling van haar arbeidsongeschiktheid. De rechtbank oordeelt echter dat deze eenmalige vergoeding fiscaal als loon wordt aangemerkt en onder artikel 44 WAO Pro valt, dat dwingendrechtelijk is en geen ruimte laat voor uitzonderingen.

De rechtbank overweegt dat het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet Pro het niet toestaat wetten aan algemene rechtsbeginselen te toetsen, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen, wat hier niet het geval is. De wetgever heeft bewust gekozen voor deze systematiek zonder hardheidsclausule. Het UWV heeft de terugvordering correct vastgesteld en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en het betaalde griffierecht wordt niet teruggegeven. De uitspraak is gedaan door rechter Janssen en griffier Veili op 9 december 2024.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de terugvordering van €414,99 bruto te veel ontvangen WAO-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/4320

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2024 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: Eversteijn).

Inleiding

Met het besluit van 14 februari 2024 heeft het Uwv de uitkering die eiseres ontvangt op basis van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 1 januari 2023 herzien en over de periode 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 (de te beoordelen periode) een bedrag van € 414,99 bruto aan te veel ontvangen WAO-uitkering teruggevorderd.
Met het bestreden besluit van 16 april 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Met toestemming van partijen heeft geen zitting plaatsgevonden.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
2. Eiseres ontvangt sinds 2001 een WAO-uitkering. Eiseres ontving een uitkering als ware zij 15 – 25 % arbeidsongeschikt is. Daarnaast werkt eiseres. De inkomsten van eiseres worden verrekend met de WAO-uitkering. De uitkering wordt maandelijks als voorschot op de rekening van eiseres gestort.
3. In het begin van een nieuw jaar berekent het Uwv de definitieve uitkering waar eiseres het kalenderjaar eraan voorafgaand recht op had. Dit gebeurt op basis van gegevens die het Uwv van de Belastingdienst ontvangt. Indien het Uwv dan tot de conclusie komt dat het voorschot dat eiseres heeft ontvangen hoger is dan de WAO-uitkering waar zij recht op had over dat jaar, dient zij dit te veel ontvangen bedrag terug te betalen aan het Uwv. Dit is in het geval van eiseres al enkele keren eerder voorgekomen.
4. Voor de WAO-uitkering van eiseres van het kalenderjaar 2023 is in februari 2024 een definitieve berekening uitgevoerd. Hieruit concludeerde het Uwv dat eiseres over het jaar 2023 een hoger voorschot had ontvangen dan waar zij recht op had.
5. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat eiseres dit teveel ontvangen bedrag moet terugbetalen. Eiseres heeft in april 2023 meer loon ontvangen wegens een eenmalige uitkering op basis van de op haar betreffende collectieve arbeidsovereenkomst (CAO). Het Uwv heeft het daadwerkelijke verdiende loon van eiseres in april 2023 afgezet tegen het maatmaninkomen van eiseres van april 2023. De eenmalige uitkering op basis van de CAO is daarbij betrokken, dit valt immers ook onder loon. Door het maatmaninkomen af te zetten tegen het daadwerkelijk verdiende loon kan worden berekend voor hoeveel procent iemand arbeidsongeschikt is. In het geval van eiseres bleek dat eiseres in april 2023 voor 13,38% arbeidsongeschikt was. Dat is minder dan 15%, waardoor eiseres in de maand april 2023 geen recht had op een WAO-uitkering. Het uitbetaalde voorschot voor de maand april 2023 van € 384,32 en vakantiegeld van € 30,67 heeft zij daarom als te veel ontvangen. Dit totaal van € 414,99 heeft het Uwv van eiseres teruggevorderd.
Wat stelt eiseres in beroep?
6. Eiseres voert aan dat de door haar verkregen eenmalige loonsverhoging in april 2023 rechtmatig en noodzakelijk is voor de inflatiecorrectie en het behoud van koopkracht. Zij stelt dat de loonsverhoging onderdeel is van de CAO die van toepassing is op haar dienstverband en bedoeld is om werknemers te compenseren voor de stijgende kosten van levensonderhoud. Deze loonsverhoging is dus specifiek bedoeld als inflatiecorrectie. Zonder verhoging zou haar koopkracht significant achteruitgaan gezien de stijgende prijzen van goederen en diensten. Tot slot stelt zij dat het essentieel is dat zij haar koopkracht behoudt om in basisbehoeften te kunnen blijven voorzien. De loonsverhoging is daarmee noodzakelijk en rechtvaardig. Het niet toekennen van de verhoging zou betekenen dat haar koopkracht en daarmee haar financiële situatie onterecht wordt benadeeld.
Wat oordeelt de rechtbank?
7. Het betoog van eiseres slaagt niet. Vast staat dat eiseres in april 2023 meer loon heeft ontvangen dan in de overige maanden van 2023 wegens de uitbetaling van een eenmalige vergoeding op basis van de CAO. Die vergoeding wordt fiscaal aangemerkt als loon uit dienstbetrekking. Het aan eiseres uitbetaalde bedrag moet daarom worden aangemerkt als inkomen als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de WAO.
8. De relevante bepalingen van artikel 44 van Pro de WAO zijn dwingendrechtelijke van aard en geven het Uwv dus geen ruimte om af te wijken. Voor zover eiseres heeft bedoeld aan te voeren dat artikel 44 van Pro de WAO in haar geval buiten toepassing moet blijven of hierop (anderszins) een uitzondering moet worden gemaakt omdat zij hierdoor onterecht wordt benadeeld, overweegt de rechtbank het volgende.
9. Volgens vaste rechtspraak houdt het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet het verbod in om wetten in formele zin (zoals in dit geval de WAO) te toetsen aan algemene rechtsbeginselen en brengt dit mee dat de rechter niet mag treden in de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht. Dit neemt echter niet weg dat, indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, dit aanleiding kan geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Dit is het geval indien die niet-verdisconteerde omstandigheden die strikte toepassing zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Deze bijzondere omstandigheden kunnen slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen. [1]
10. De rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat sprake is van een uitzondering als hiervoor bedoeld. Daarbij merkt de rechtbank op dat de wetgever bij de totstandkoming van artikel 44 van Pro de WAO bewust heeft gekozen voor de hiervoor beschreven systematiek, de nadelige effecten daarvan heeft meegewogen en geen hardheidsclausule heeft opgenomen die het Uwv de bevoegdheid geeft om bij een onredelijke of onevenredige uitkomst de desbetreffende wettelijke bepalingen buiten toepassing te laten. [2] Dat de uitkomst hiervan eiseres mogelijk benadeelt, is dus onvoldoende aanleiding om af te wijken van deze dwingend voorgeschreven bepalingen in artikel 44 van Pro de WAO.
11. Nu op de juiste wijze uitvoering is gegeven aan de dwingendrechtelijke voorschriften van artikel 44 van Pro de WAO en is komen vast te staan dat daardoor in april 2023 de WAO-uitkering onverschuldigd is betaald, is het Uwv op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO verplicht het te veel betaalde voorschot van eiseres terug te vorderen. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten om te concluderen dat het Uwv de hoogte van de terugvordering onjuist heeft vastgesteld op € 414,99 bruto. Eiseres heeft tegen de berekening daarvan ook geen afzonderlijke gronden aangevoerd.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Het Uwv heeft dus terecht € 414,99 bruto van eiseres teruggevorderd. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ook krijgt eiseres het betaalde griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.T.H. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.R. Veili, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Centrale Raad van Beroep (CRvB) 5 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1277.
2.CRvB 22 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2020:1031.